Een jaar geleden

Tags

,

Vandaag is het een jaar geleden dat ik corona kreeg. Stilgezet. Niet een paar dagen of weken, nee we zijn inmiddels een jaar verder. Ik ben aan het opbouwen met werken. In de nasleep van corona blijf ik echter klachten houden. Dat maakt dat ik niet meer snel als een vlinder van hot naar her kan fladderen. Dat ik maar alles kan oppakken en doen. Nee, ik lijk nu meer op een rupsje die met een zekere regelmaat en ritme vooruit komt.

Vandaag is het een jaar geleden. In mijn gedachten sta ik daar bij stil. Ik kijk er niet graag op terug. Althans niet op de angst en het verdriet dat er ineens was. Voor de zorg die er was voor mij. Dat voelde ongemakkelijk. Liever zorg ik. Liever was ik aan het zorgen voor mijn gezin, voor de bewoners, voor de collega’s. Alles werd uit handen genomen en daar zat ik dan thuis. Ja tuurlijk ben je waardevol als mens, maar dat vond ik naar mezelf toe niet altijd zo. Alles draaide door. Mijn werk, de fractie….zonder mij. Dat vloog me soms zo aan. Hoe waardevol was ik nog?

Ik wilde als een vlinder bezig zijn. Ik wilde fladderen, van bloem naar bloem, van activiteit naar activiteit. Van gesprek naar gesprek, van fietsen hier naar fietsen daar en desnoods nog een keer. Ik moet minder fladderen en meer de tijd nemen om vooruit te komen. Langzaam, gestructureerd en vaker even in mijn cocon kruipen. Voor rust en eigen ruimte, mijn eigen stilte en mijn eigen tijd. Mijn ‘bubbel’ zoals we het hier thuis noemen. ‘Mag ik je wat vragen, of zit je in je eigen bubbel?’ wordt er dan gevraagd. Inmiddels zit er een luikje in mijn bubbel, die ik dan toch even open. ‘Kom maar op met je vraag!’

Vandaag is het een jaar geleden, het is een gedachte in mijn hoofd. Los van alle momenten van verdriet en verlies daarin, is het ook vooruit kijken. Werk oppakken, merken dat het energie kost, maar ook energie geeft. Het is fijn om daar weer te zijn, te mogen meedenken, weer wat oppakken. Het is fijn om collega’s weer te zien en te spreken, te voelen dat ze je gemist hebben. Dat is wederzijds.

Tijdens de revalidatie heb ik veel mogen leren, vooral ook over mezelf. Dat kwam soms erg dichtbij. Termen als ‘lat te hoog leggen’, ‘voor jezelf zorgen en opkomen’, ‘grenzen aangeven’ ‘ruimte voor jezelf pakken’ kwamen veelvuldig voorbij. De conditie werd getraind, maar ik heb vooral van binnenuit geleerd om meer bewuster om te gaan met mezelf. Om te voelen waar de grenzen zijn, om te voelen dat ik heus wel een mooie vlinder ben. Misschien niet meer zo fladderend, van bloem naar bloem. Beetje vleugellam misschien, maar in de kern ben ik het wel. Ook als ik me een rupsje voel.

(Foto: Marin Scheringa)

Vandaag is het tweede paasdag. Buiten sneeuwt het en het volgende moment schijnt de zon weer. Mooie afspiegeling van het afgelopen jaar. Want dwars door alles heen, heeft het me ook veel geleerd en laten zien. Ben ik dankbaar dat ik er ben en er mag zijn. Ben ik blij met momenten van waarde, van zonnestralen op het glas. Van ommetjes en volop genieten van de schepping. Soms liep iemand mee. Mooie gesprekken in de buitenlucht. Momenten van ervaren dat mensen meeleven, aandacht hebben voor je. Dat mensen voor je bidden, je raken met mooie kaartjes, berichten op de app. Ik ben mezelf tegengekomen. Stilgezet en doorgelopen. Stap voor stap ontdekkend wat lukt en wat past bij het ritme van nu. Als een rupsje…

Zo, vandaag, schiet het door mijn hoofd. Een gedachte. Een blog, dat ook. Voor mezelf, een moment om even te mijmeren. Terugkijkend, maar vooral vooruitkijkend fladderen mijn gedachten door mijn hoofd.

Een vlinder blijf ik wel.

Lopen met je ogen dicht.

Tags

, , ,

Met mijn ogen dicht. Lopen met mijn ogen dicht. Niet over een weg die bekend is, niet langs wanden waar ik houvast heb. Lopen over een smalle bank, die in de ruimte staat. Zonder houvast en met mijn ogen dicht.

Ik durf het niet.

Met open ogen durf ik wel. Heen en weer, terwijl zij toekijkt. Dat is ongemakkelijk. ‘Wat denkt ze? Wat ziet ze?’ Ik heb een gaatje in de hak van mijn laars. In de stilte die er is, hoor ik steentjes rammelen, die de weg van de binnenkant van mijn hak hebben gevonden. Ik heb nog niet het geduld gehad om die steentjes eruit te prutsen. Dus wordt de stilte opgevuld met het ritmische dansen van de steentjes in mijn hak. Dat leidt mijn aandacht daarheen, geeft een glimlach en het gevoel dat ik moet uitleggen wat er onder mijn zolen gaande is. Dat doe ik dan ook maar.

Ik durf misschien wel niet. Maar zij moedigt aan. Het gaat niet om de hak, om de geluiden van de kiezelsteentjes. Het gaat om wat ik voel. Dus loop ik dapper heen en terug. Ik maak niet sierlijk een mooie draai aan het uiteinde van de bank, besef ik me. Ik plof met een lompe sprong op de vloer om vervolgens daadkrachtig de bank op te stappen. Ik loop heen en weer.

‘Wat voel je?’ ‘Ik voel niets’ en terwijl ik dat zeg, vraag ik me af of ik daar de focus wel op heb gelegd. Ik ben bezig om goed te lopen, om mijn evenwicht te houden en ik blijf het getik van de kiezeltjes horen. ‘Volgende keer doe ik mijn sportschoenen aan’ bedenk ik me ‘of ik moet toch de moeite nemen om uit dat kleine gaatje in mijn hak de kiezels weg te laten glijden’. Mijn gedachten zijn snel, maar niet naar waar ik hoor te zijn. Ik moet namelijk voelen.

Naast de bank lopen, gaat een stuk makkelijker. Ik hoef niet op mijn evenwicht te letten. Ik blijf me bekeken voelen, maar ik laat het maar los. Dan voel ik tóch. Ik voel verschil. Minder gespannen. Dan weer op de bank. Ik laat de steentjes voor wat ze zijn, ze versmelten met de geluiden die ik hoor op de gang. Geluiden, die me willen afleiden, maar ik probeer de focus te houden op ‘voelen’. Dan merk ik heus wel dat ik de spieren in mijn benen aanspan, dat mijn ademhaling hoger is, dat ik de spanning in mijn schouder voel.

Ik voel.

‘Stap nu maar op de bank en loop met je ogen dicht.’

Dat voel ik ook. Diep van binnen. Ik voel de angst, ik wil niet lopen met mijn ogen dicht over een bank die zo smal is. Ik kijk haar aan. Ze kijkt terug, onbewogen. Ik kijk naar de bank, ik kijk wederom naar haar. Ze zegt niets. Ze zegt niet dat ik haar hand mag vasthouden, dat ze me opvangt als ik val. Ze stelt me niet gerust door te zeggen dat me niet zoveel kan gebeuren, de bank is immers niet zo hoog. Ik adem in, ik adem uit. Ik kijk haar nog een keer aan, maar ze zwijgt en kijkt alleen maar terug. In de stilte die er is moedigt niets me aan. Dus praat ik mezelf moed in. ‘Oké’ zeg ik hardop en ik doe een poging om dit heel flink te laten klinken, mijn vuisten gebald. Ik sluit mijn ogen, ik adem diep in en als ik de stap op de bank wil zetten, doorbreekt ze het zwijgen. Ik mag stoppen.

Adem uit.

Ik hoef niet te lopen met mijn ogen dicht. Ze spiegelt mijn houding, mijn lichaamstaal. In alles laat ik blijken dat ik niet durf. Ze zag dat ik in haar ogen zocht naar houvast en de bevestiging bij haar dat ze me niet zou laten vallen. Ze zag de angst en de handen die langzaam vuisten werden. De stap die ik zette op de bank, dat ik het toch maar ‘braaf’ deed. Waarom? Waarom ga je lopen op een bank met je ogen dicht, terwijl alles in je zegt: ‘Ik wil dit niet!’

Ik herken zo goed mijn spiegelbeeld.

Ik ben opgelucht dat ik niet hoef. Niet hoef te doen, niet hoef te voldoen. Het is goed zoals het is. Ik hoop dat ik het meer en meer mag gaan voelen in het ritme van mijn ademhaling, in de schouders, in de handen die zich kunnen ontspannen. Dat ik luister naar wat mijn hart al kloppend aan mij duidelijk maakt.

Dat ik het hardop uit kan spreken, desnoods met mijn ogen dicht.

‘Ik ben er wel’

Tags

, ,

‘Ik ben er wel’ als een stem dichtbij, maar in nabijheid voelt het soms veraf. In het weten een zekerheid, in mijn hart wankelt het wel eens. Wiebelige steiger aan de waterkant. Waar ik de woorden laat spreken en de gedachten laat wegdrijven op het water. Koppie onder laat gaan, zoals de meerkoet voor mij doet. Hij komt weer boven en mijn gedachten zinken. Verdwijnen naar de bodem en wie vangt ze op?

Ik zie je wel. Ik zie je in de bomen aan de overkant. Ze lijken te zwaaien en ik onderdruk de neiging om terug te zwaaien. Ik groet ze in gedachten en ik bewonder de horizon. Voor zover ik er naar kan kijken, want de felle zon schijnt in mijn gezicht. Ik sluit mijn ogen. Ik voel me moe, ik zou wel kunnen slapen, zo hier op deze steiger. Met gesloten ogen zie ik je niet.

‘Ik ben er wel’ en je roept me wakker in de ganzen die voorbij vliegen. Ik staar ze na in hun vlucht. Voorbij, ze vliegen voorbij. Ik zou ze mijn dromen willen meegeven, zodat ze sneller de hemel aanraken. Ze blijven hier, onaangeroerd. Ik weet niet zo goed wat ik er mee moet. Dat wil ik allemaal wel vragen, ik heb eindeloos veel vragen. Herhaling van vragen, van bevestiging zoeken en dan mezelf afvragen of je niet moe van me wordt.

‘Ik ben er wel’ het is de stem in mijn gedachten. De stem die me laat kijken naar de wolken, naar de bloemen in de berm. De regenworm, ja ook dat. Ik geniet er van. Als ik je ergens in zie, is het in alles wat er om me heen is. Ik zie het in de ogen, in de handen, in de schouders om me heen. Ik zie het in de handgeschreven krabbels en de berichten in de app. Ik zie je, ja ik zie je wel. In de wereld voor me, in dit schilderij, zie ik de penseelstreken en ik weet het zeker: dat ben jij.

Voor mij. Onder mij. Boven mij. Naast mij?

Wiebelige steiger. Met elke voetstap van wandelaars, wiebelt de steiger heen en weer. Ik trek mijn benen naar me toe, mijn kin op mijn knieën. Hoopje mens in de wereld van hier. Hoopje mens met haar lach en haar tranen. Met de stralen en de stromen, met de schouders eronder en de knieën gebogen.

Kom je naast me zitten? Mijn hoofd op je schouder, want ik ben moe. Moe van alles, moe van alle vragen, van alle gebeden. Moe van al dat turen, van zoeken in de zon.

‘Ik ben er wel’ stem in mijn gedachten. Ik sta op, loop de steiger af. Weg van het water. Ik ga naar huis. Ga je mee?

Olifantenpaadjes

Tags

, , , ,

Ik vind olifantenpaadjes leuk om naar te kijken. Van die paadjes waarmee de fietser of wandelaar de weg afsnijdt. Platgetreden paadjes, dwars over het grasveld. Het is natuurlijk niet zoals het hoort, maar ik kijk er toch altijd naar. Wie heeft de eerste stap gezet, wie volgde? Wanneer ging iedereen er maar gemakshalve overheen?

Een zanderige streep over het veld en zoveel sneller is het niet.

Het worden olifantenpaadjes genoemd, omdat olifanten altijd de kortste weg kiezen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me ook graag gedraag als een olifant. Als het snel kan, even tussendoor, is het wel zo fijn om dat maar te doen. Ik kies graag de kortste weg, de snelste en misschien ook wel de makkelijkste weg. Ik ben ongeduldig, ik vind het fijn om de bestemming te zien, de punt aan de horizon. Als ik die zie, maak ik graag gebruik van olifantenpaadjes. Om nog maar eerder bij mijn doel te zijn.

Vandaag is het een jaar geleden dat corona ook Nederland bereikte. Een jaar geleden! Ik vind het confronterend om een jaar terug te gaan in mijn gedachten. Op dat moment was ik actief. Ik had mijn gezin, mijn werk, activiteiten binnen de politiek en kerk. Ik fietste wat af en deed alles ‘even’ tussendoor. Als een olifant nam ik graag de kortste weg.

Tegenwoordig lukt dat niet. Ik werd ziek door corona en het zorgde voor een lange nasleep en het valt inmiddels onder ‘long covid’. Een traject van revalidatie wordt binnenkort afgebouwd. Niet omdat ik hersteld ben, maar omdat dit nu gewoon is wat het is. Het is afwachten of het op termijn beter zal gaan of dat ik moet leren leven met de klachten. Leren leven met een stukje van wat nu bij mij hoort. In gedachten wil ik zo graag al die olifantenpaadjes aflopen, wil ik vol enthousiasme van alles oppakken, doen en zijn. Maar als een olifant de weggetjes bewandelen, dat is uiteindelijk niet sneller en beter voor mij.

Dus loop ik op mijn gemak de ommetjes en weet ik inmiddels precies op welk bankje ik rusten kan. Doe ik de strijk niet ‘even’ tussen alle bedrijven door. Nee, dat is ingepland en voor die tijd en na de tijd zit rust ingebouwd. Zo niet ik, maar het gaat me steeds beter af.

Ik vind het verdrietig. Ik mis een stukje van mezelf, in wie ik was en wat ik deed. Dat is een proces van loslaten en van ontdekken van wat wel kan en weer mogelijk is. Van bidden, van rouwen en hopen dat het op termijn toch beter zal gaan. Van huilen, van jezelf weer oprapen, op een bankje gaan zitten in de zon. Kijkend naar de bomen, de lucht, de vogels en naar olifantenpaadjes in het gras. Ik kan er niets aan doen, ik vind het leuk om naar te kijken. Om het pad te volgen met mijn ogen.

Glimlachend.

Een zanderige streep over het veld en zoveel sneller is het niet.

Bellen blazen in de sneeuw

Tags

, , ,

Bellen blazen in de sneeuw. Dat deed ik met Marin. In de stilte van de tuin, staarden we samen naar de kleine sterretjes die zich er in vormden. Totdat de bel ineenkromp. Momentje van ons samen, we hadden er plezier in. Zo volop in de kou, de bellen laten zweven, laten rusten op de sneeuw. We keken zwijgzaam naar de spiegeling van binnen, de wereld op zijn kop.

Sneeuw is mooi. Ergens diep in mij zit er een kriebeltje van verrukking als ik zie dat er sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Zo flinterdun, maar dan ineens ligt er toch een dikke laag sneeuw. Ik kan er met verwondering naar kijken. Buiten, met de zon op mijn gezicht, maak ik mijn dagelijkse ommetje. Geniet ik van de stilte die een wereld vol sneeuw geeft. Stilte, waarin alleen mijn voetstappen hoorbaar zijn. Knerpend geluid in de sneeuw. Dat vind ik mooi.

Sneeuw geeft ook een onbehaaglijk gevoel. Alsof ik in sneeuw koppie onder kan gaan, wat niet zo is. Sneeuw is verbonden met angst om te vallen, te glijden. Sneeuw is het gevoel dat ik niet vooruit kan komen, terwijl ik dat juist graag wil. Sneeuw is koud, levert mooie plaatjes op, maar bedekt de prille knoppen aan de takken. Ik kijk uit naar het voorjaar en de sneeuw bedekt dat uitzicht, dat gevoel.

Marin vindt de sneeuw geweldig. Gisteren liepen we samen een rondje. We keken naar de verschillende sporen in de sneeuw. We volgden de vogels die voorbij vlogen, we hadden alle tijd. Zoals ik de afgelopen maanden volop tijd heb gehad. Tijd om te denken, om te rusten, om te genieten van de natuur. Waar ik altijd vliegensvlug alles deed, moet het nu op het ritme van wat kan. Is er structuur in mijn dagen, afwisseling van rust en activiteit. Dan maakt het ineens niet uit of er sneeuw ligt, want ik hoef er niet snel doorheen. Ik hoef niet angstig sturend de glibberende paadjes te ontwijken. Ik hoef alleen maar op mijn gemak te lopen. Te wandelen, te genieten van wat is.

Een wintermens ben ik niet. Ik vind sneeuw mooi, maar ik kijk uit naar voorjaar, naar warmte. En toch, zo in alle rust van niets moeten, was de sneeuw minder onbehaaglijk. Was het meer dan een schilderij achter glas. Was het kijken naar de knopjes en bloemetjes aan de takken, bedekt met een laagje sneeuw. Was het wandelen en herontdekken van de schoonheid daarvan. Ook dit is mooie schepping en het kriebeltje in mij werd aangewakkerd. Kriebeltje van verrukking.

Kriebeltje van verrukking, ken je dat?

Ik voelde dat kriebeltje ook bij het bellen blazen. Zo onbeduidend, maar toch genoten we er samen van. Bleef ik kijken, staren naar de bol, waar kleine sterretjes zichtbaar werden. Ik keek vol verwondering naar die vederlichte bel, met zijn regenboogjes aan kleuren en zijn doorzichtigheid. Van de spiegeling en jezelf daarin ontdekken. Ik in de sneeuw, ik in de tuin. Als een kind zo blij.

Bellen blazend in de sneeuw, de wereld op zijn kop!

2020

Tags

, ,

Naast mijn bed staat een doos. Een doos vol kaartjes en briefjes die ik kreeg toen ik thuis was door corona. Inmiddels komen er steeds meer aandenken in aan een periode dat ik aan het herstellen ben. De mail waarin bevestigd wordt dat ik positief getest ben, de verslagen van artsen en voortgangsevaluaties van het revalidatiecentrum. De wekelijkse programma’s die ik volg in het revalidatiecentrum. Een bingokaart, als aandenken aan mijn periode in quarantaine. Vier kinderen op gepaste afstand van mijn bed. Aron die zich verveelde, had prijsjes uitgezocht in de winkel. Ik riep vanuit mijn bed de nummers op. Dat was een mooie herinnering aan een minder leuke tijd.

Er zijn ook herinneringen die er niet in passen. De angst, de tranen, de eenzaamheid die er was als ik ’s nachts alleen in mijn bed lag. Ziek voelend, benauwd. De zorg voor mijn gezin, de kinderen. Het horen huilen van je kinderen, niet kunnen knuffelen. Geen nabijheid. Op afstand moeten blijven terwijl je niets liever wil dan troosten. De onmacht naar mensen die in gedachten zo dichtbij je zijn, maar waar je niet naar toe kan. Ook niet als er zoveel verdriet in hun leven is. Losgetrokken uit mijn werk, je collega’s niet kunnen helpen. Al die dromen, zoveel dromen. Ze zitten niet in die doos, maar ze zijn er wel.

2020 heeft vooral de afdruk van corona achtergelaten. Of ik wil of niet. Het liefst duw ik dat weg. Er was zoveel meer. Het afronden van mijn opleiding, zo trots daarop! Ik heb hele lijstjes in mijn hoofd van zegeningen, voor ieder van de kinderen, voor mijn man, voor mezelf, voor ons als gezin. Lijstjes vol waar ik God voor dank. Dat is er zeker. Het liefst denk ik daaraan. Over mijn schouder achterom kijkend, zie ik mooie momenten, maar er ligt wel een sluier van corona overheen.

De nasleep van corona is niet fijn. Het is teleurstellend dat het allemaal zo lang duurt. Ik heb veel op de steiger aan de waterkant gezeten. Met mijn voeten gestampt in het water. Waar ik alsmaar hoopte dat het herstel sneller zou gaan, liep het anders. Zit ik in een revalidatietraject. Waar ik mezelf voorgenomen had om na mijn studie meer tijd in anderen te steken, wordt me door de therapeuten gezegd dat ik nu voor mezelf moet zorgen. Ineens moet ik nadenken voor ik ergens ja op zeg. Als het mezelf zoveel energie kost….

Het heeft me ook tijd gegeven. Tijd om te piekeren, te huilen. Tijd om mijn gezin volop mee te maken. Het heeft me tijd gegeven om elke verandering in de seizoenen mee te maken. Ik heb nog nooit zoveel natuur opgesnoven. Zo naar boven gestaard, naar mooie bomen, hoge bomen, bomen midden op mijn pad. Ik ben nog nooit zoveel afgestapt van mijn fiets. Niet alleen omdat ik te moe was om verder te fietsen, maar ook om te genieten. Van stilte, van vogels, van bloemen. Het gaf me tijd om meer dan ooit in gesprek te zijn met God. Met alle vragen en twijfels, met mijn verdriet. Eindeloos kunnen bidden, voor een ieder die in mijn gedachten een plekje had.

Die doos naast mijn bed, daar bewaar ik tastbare herinneringen in aan een periode in 2020 die voor mij persoonlijk veel door corona en de nasleep daarvan beheerst werd. Die periode sluit ik vandaag niet af, dat gaat door in 2021. Een nieuwe therapiekaart voor volgende week ligt al klaar. Hoe het zal gaan in 2021 weet ik niet. Ik hoop dat ik een strik om die doos kan gaan doen en dat ik hem naast mijn bed kan weghalen. Opgeruimd kan worden, achter de schotten op zolder. Als een herinnering.

Ik wil iedereen bedanken die op welke manier dan ook in het afgelopen jaar met ons heeft meegeleefd. Die er was voor ons, voor mij. Dat heeft me heel erg geraakt. Ik ben me er bewust van dat er zoveel andere moeilijke persoonlijke situaties zijn. Iedereen heeft zo zijn eigen herinneringen aan 2020 en zijn eigen zorgen die hij of zij meedraagt het nieuwe jaar in. Mijn persoonlijke verhaal verbleekt bij zoveel verdriet en gemis om mij heen. Sterkte voor iedereen in eigen omstandigheden.

Ik wens jullie toe dat je zo nu en dan van je fiets afstapt, je ogen sluit en de natuur opsnuift. Dat ga ik zéker niet loslaten en opruimen. Zo nu en dan en misschien ook heel vaak, even stil staan.

Ik wens jullie allemaal Gods zegen toe voor 2021.

Briefje 20

Tags

, , , , , ,

‘We houden hoe dan ook toch wel van je’ las ik op briefje nummer 20. Twee kerstboompjes staan hier, aangeboden door mijn team. Vanaf 1 december tot aan Kerst mag ik elke avond een briefje uit de boom halen en lezen. Collega’s en een paar bewoners en hun familie hebben daarop een persoonlijke tekst geschreven voor mij. Soms op rijm, soms kort, soms lang en soms met een leuke mop erin. Het tovert een glimlach op mijn gezicht, maar ik vind het vooral erg ontroerend. Elk briefje is zó lief!

Op dag 20 wenste iemand me toe dat ik in 2021 weer meer energie zou krijgen om op te pakken wat er voor mij toe doet. Dat ik het gevoel mag krijgen dat ik weer mee doe, waarbij 80% soms ook voldoende is. ‘We houden hoe dan ook toch wel van je’ schreef ze erbij. Dat raakte me zo.

In het revalidatietraject waar ik nu middenin zit, word ik ook gewezen op het stellen van grenzen. Ik moet leren luisteren naar mijn lichaam. Dat vind ik lastig. Liever fiets ik zo hard dat het tellertje van de hometrainer op een voor mij goed resultaat staat, dan dat ik langzamer fiets omdat ik mijn benen voel. De trainer legt dus nu een handdoek over de teller, dan moet ik wel luisteren naar mijn lichaam. Ik doe braaf de oefeningen bij de fysiotherapeut, ook al kan ik daarna dagen niet lachen van de spierpijn in mijn buik. Dat moet dus ook niet. Ik mag aangeven als iets te zwaar is. Ik stel de fysiotherapeut niet teleur als ik dat doe. Ik mag voor mezelf opkomen en voor mezelf zorgen. Dat is omdenken voor me. Ik moet ineens de grenzen dichter naar mezelf toetrekken.

Grenzen aangeven, het moet wel. Ik heb dus alle activiteiten waar ik druk mee was neergelegd. Alles wordt overgenomen. Dat is geruststellend en tegelijk ook confronterend. Alles draait door, ook zonder mij. Dat zijn de dipjes in mijn gedachten. Dat gevoel van op afstand staan, het geeft zomaar een gevoel dat je minder waardevol bent. Dat zou ik bij een ander nooit denken, maar nu het mezelf betreft sluipt het er wel eens in. Ik weet heus wel dat dat niet klopt, maar moe zijn, al zo lang thuis zitten…

‘We houden hoe dan ook toch wel van je.’ Soms is dat zo fijn om te weten. Dat mensen niet van je houden om wat je allemaal doet, maar gewoon om wie je bent. Hoe dan ook van je houden, ook als je voor je gevoel bent stilgezet. Druk bent met revalideren en herstellen, ter ontspanning schildert, boeken luistert en potten vol jam maakt om je gedachten tot rust te brengen en voor je gevoel zinvol bezig te zijn.

Geliefd, hoe dan ook. Ik zeg het de ander vaak te weinig, ik laat het de ander ook niet altijd merken. Soms raken mensen uit beeld, soms draait alles maar door en gaat de tijd voorbij. Soms word je je er weer bewust van. Soms is het zo fijn om het te horen, om het te lezen.

Ik gun iedereen zo’n boodschap. Ik gun iedereen een briefje nummer 20.

Trampoline

Tags

, , , , ,

‘Je mag over de trampoline gaan lopen’ zegt de fysiotherapeut. ‘Ik wil zien hoe je dat doet’ voegt ze er aan toe. Waarschijnlijk ziet ze mijn vragende blik. Een trampoline moedigt aan om erop te springen, niet om er overheen te lopen.

Sinds kort ben ik begonnen met een aantal dagdelen per week revalideren bij het revalidatiecentrum. Nieuwe indrukken, kennismaken, aftasten welke behandelingen en trainingen voor mij goed zijn om bij te dragen aan herstel. Het is intensief.

Ik stap op de trampoline en loop terwijl de fysiotherapeut stilzwijgend mij observeert. Dat vind ik ongemakkelijk, maar ik loop braaf heen en weer. Dat voelt uiteraard wiebelig en het loopt niet fijn. ‘Je armen zijn niet ontspannen’ merkt ze op. Dat klopt. Dat voel ik zelf ook. ‘Ik mis de houvast, ik kan me nergens vasthouden!’ reageer ik. ‘Waar ben je bang voor?’ vraagt ze. ‘Wat kan je gebeuren?’ en de vraag blijft hangen in mijn hoofd.

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Ik heb meer trampolines in mijn leven. Ik denk dat iedereen dat wel herkent. Van die momenten dat je grip wilt houden, dat je zekerheid wil, dat je het gevoel heb dat je moet loslaten, maar dat niet durft. Ik hou zo graag zelf de touwtjes in handen, ik wil controle houden. Ik wil desnoods alle ballen hoog houden, als me dat houvast geeft. Ik wil zorgen en ik vind het lastig om voor me te laten zorgen. Dat voelt wiebelig en wankel en onwennig.

Ik leg de lat te hoog. Ik hoor het in de korte tijd dat ik revalideer, steeds weer. Ik hoef het niet perfect te doen, ik hoef me niet flinker voor te doen dan ik ben. Ik mag voor mezelf opkomen en mijn grenzen aangeven. Ik hoef niet te denken dat het altijd erger kan, dat ik maar stug door moet gaan en niet moet zeuren. Ik mag desnoods heel hard huilen, dan verlies je niet de houvast, dan geef je toe aan wat je voelt. Ik weet het, maar ik vind het lastig.

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

‘Ik kan vallen” zeg ik. De fysiotherapeut kijkt me vragend aan. ‘En? Je valt op een trampoline’ als ze het zo zegt, kan ik er wel om glimlachen. Op een trampoline val je zacht, duik je even weg in de diepte om daarna weer terug te veren. Tot stilstand te komen, rust. Hoe beschamend zou het écht zijn geweest als ik niet staande was gebleven? Hoe ontspannend was het geweest als ik mijn drang naar houvast gewoon losgelaten had? Dan was ik misschien gaan liggen, maar hoe erg was dat?

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Het was een wijs lesje. Revalideren levert iets op, hoe intensief het ook is. Ik hoop dat het me gaat helpen, dat ik weer kan werken en wat actiever kan zijn. Dat ik iets meer Lydia kan zijn en misschien ook wel anders. Dat ik onbevangen kan lopen over een trampoline. Sterker nog, dat ik mijn baldadige kant ook maar gewoon durf te tonen. Dat ik me niet braaf aan de opdracht hou, maar gewoon ga springen. Springen op een trampoline, want dat wil je dan toch?

Herkenbaar?

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Lieve jij

Tags

, , ,

Ik zou mijn armen om je heen willen slaan, ik zou je dicht tegen me aan willen houden. Ik zou je willen wiegen, gewoon stilzwijgend de tijd voorbij laten gaan. En dat er dan geen muren zijn, geen afstand. Dat jij er gewoon mag zijn. Met je lege handen. Met je boosheid en je tranen en dat je dan kan schreeuwen. Tot aan de hemel toe.

Kom maar hier.

Ik zou zwijgen, je niet overstemmen met mijn woorden. Dat het gewoon een gevoel mag zijn. Een gevoel dat alleen jij kan tekenen en schilderen in vele kleuren. Soms zo bruin, zo blauw, zo geel en soms zo onbeduidend vaag. Flarden in de tijd, een schets van werkelijkheid.

Ik zou met je willen luisteren naar de melodie van zoveel klanken, naar het ritme en het refrein. Dat de muziek ons meevoert naar de hoeken waar het behang een beetje loslaat, waar de groeven te zien zijn en de scheuren in de muur. Dat ik met je mee beweeg en je niet los zal laten. Dat de aanraking van snaren een nieuw couplet kan zijn.

Kom maar hier.

Ik loop het liefste naast je. Jij op het pad, ik in de berm. En ergens maakt het ook niet uit. Dat de wolken ons omringen en de wind ons adem geeft. Dat je me laat zien waar de afdrukken zijn, de sporen in het zand. Waar je de bladeren opving met je handen, waar de boom een rustplek was. Takken links en rechts, vertrouwelijk om je heen.

Ik wil je vasthouden, maar soms durf ik niet zo goed. Zo kwetsbaar, zo klein. Op afstand kijk je toe. In je ogen zie ik een stukje van wie ik ben. Zo ver van mij vandaan, maar eigenlijk zo dichtbij.

In gedachten. Kom maar hier.

Lieve jij.

Biotoop en hoekje

Tags

, , ,

‘Blijf zoveel mogelijk in je eigen biotoop’ is het advies van minister Grapperhaus aan Nederland om zo te voorkomen dat er meer besmettingen komen. Het doet me denken aan dat kinderliedje.

‘Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht….’ en dan? Wat volgt er dan? ‘….hm, hm hm……jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn.’ Ik kom er niet op en vraag het aan Marin. Marin kijkt me echter meewarig aan, terwijl ik haar naar de voetbal breng. Ik vond het een heel goed idee om in mijn eigen biotoop te blijven, mijn eigen bubbel, maar er moest toch iemand meefietsen.

Marin kent dit lied totaal niet.

Ik zal het ze inderdaad niet geleerd hebben. Ik associeerde dit lied altijd met straf. Dat komt door dat kleine hoekje waar jij en ik in dit lied zitten. Ik zie een meisje zitten, benen opgetrokken, hoofd op de knieën. In vond dat altijd wat triest en eenzaam aanvoelen. Als jij in jouw kleine hoekje zit, schuif ik liever naar je toe. Dan praten we samen, misschien wel honderduit. Lachen we, huilen we en als het nodig is dan raak ik je schouder even troostend aan.

We zitten echter in een hoekje. In dit liedje, in de wereld van vandaag. Dat is dus die eigen biotoop. ‘Jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’. De anderhalvemetersamenleving, de beperkingen in het ontmoeten van elkaar. Ik mag graag even verdwijnen in mijn eigen bubbel, me wikkelen en verschuilen in mijn eigen gedachten en dromen. Voor even, niet zo lang. Ik mag ook graag de toenadering zoeken, het gesprek, de arm om de schouder. Kom maar hier!

Internet beantwoordt mijn vraag wat de tussenregel is: ‘…en Hij wenst dat ieder tot Zijn ere schijn’…..’ oh ja, het daagt weer. Ik dacht altijd dat het ‘ereschijn’ was en begreep niet goed wat het was. Er zijn ook meer coupletten, ze eindigen allemaal met dat kleine hoekje. Het hoekje wat nu in mij blijft rondzingen bij het horen van de term ‘biotoop’.

Schuilen in je eigen biotoop. Vanmorgen had ik daar zoveel zin in, maar ik fietste met Marin mee. De zon scheen, de regendruppels lagen glinsterend op de bladeren en het gras. Ik snoof de lucht van naaldbomen op en een eekhoorntje verdween in de struiken. Hoe mooi is dat! Ik werd er vrolijk van.

‘….jij in jouw klein hoekje….’

We kunnen elkaar wel zonnestralen sturen, we kunnen druppels laten glinsteren op afstand. We kunnen een geur verspreiden van aandacht en omzien naar elkaar en berichten sturen, het gesprek aangaan. Ook al is dat op afstand. Een kaarsje zijn, een lichtje zijn in een rare wereld waar we nu in leven.

Jij in jouw kleine hoekje en ik in ’t mijn.

Dat dus. En nu kruip ik weer even lekker weg in mijn eigen biotoop.

(Liedtekst is van Susan B. Warner, vertaald door A. Schroten en H. van ’t Veld en de muziek is van E. O. Excell)