Hond in huis

Tags

,

We hebben een hond in huis. Een logeerhond. Tijdelijk, omdat bij vrienden het huis van binnen geschilderd wordt. Een hond die met een kwispelende staart of snuffelende snoet langs de geschilderde wanden veegt, is niet handig. Dus verblijft de hond een aantal nachtjes hier, tot grote blijdschap van Marin die zou willen dat we hier ook een eigen hond hebben. Dat zit er niet in.

Als ik met Aletta app (vriendin) en haar vertel over de hond, schiet ze in de lach. Althans, het ‘Whahahaha’ maakt dat zichtbaar op het scherm. Al snel volgt het volgende bericht op mijn telefoon: ‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ en er mist een uitroepteken, maar ik zie hem voor me in de frons op haar gezicht en het wederom in de lach schieten. Zó voorspelbaar.

Foto: Iris Scheringa

Gek is haar verbazing niet. Vroeger was ik écht bang voor honden. De achterburen hadden een hond genaamd Basje en daar keek ik vanachter het tuinhek naar. Tot zover was het heus een lieve hond. Bij tante Riek was dat anders. Een klein keffertje en bang als ik was rende ik rondjes om de salontafel. Een blaffende hond achter me aan en tante Riek die met beide handen in de zij hoofdschuddend toekeek. Totdat ze me ietwat streng toesprak dat Loekie alleen maar achter me aan bleef rennen als ik niet gewoon zou stoppen met rennen.

Bij honden voelde ik echter alleen maar de drang om weg te rennen, weg te kruipen en te ontwijken. Desnoods stak ik een straat twee keer over als ik daarmee niet een hond hoefde te passeren. Honden snuffelen aan je, blaffen, komen dichtbij en sommige honden hebben de gezellige gewoonte om twee poten op je schouder te leggen. Van mij hoeft dat niet.

Foto: Iris Scheringa

Mijn angst is inmiddels vrijwel helemaal verdwenen. Bij Aletta thuis was een poedel waar ik aan wende en om het een graadje moeilijker te maken, bleken ze bij manlief thuis een Rottweiler te bezitten. De eerste kennismaking met mijn schoonouders maakte het daardoor nog spannender. Het is goed gekomen. Zowel de kennismaking met mijn schoonouders als met de hond, die al wat op leeftijd was en niet grommend me verslond. Integendeel. Als je Rottweilers aankan, dan moet een keffende ‘Loekie’ of ‘Basje’ ook te overwinnen zijn.

‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ schreef Aletta. Nee, ik eigenlijk ook niet. En toch….’s morgens sta ik nog vroeger op om samen met Marin de hond uit te laten. Sta ik langs het grasveld geduldig te wachten tot de hond het ideale plekje heeft gevonden om zijn behoefte te doen en ben ik druk in de weer om dat op te rapen met een poepzakje. Ik sta hondenvoer fijn te prakken met een vork en neem de haren die overal dwarrelen en de geur van hond maar voor lief.

Foto: Iris Scheringa

De hond van onze vrienden is prima, ik vind haar best lief. Ze blaft niet naar iedereen, springt niet met twee poten op mijn schouders, weet dat ze het beste kan stoeien en aandacht kan vragen bij Marin of bij manlief. Dat is superfijn. Sterker nog, toen ik gisteravond alleen met haar in de kamer was, vond ik het zelfs wel gezellig en knus. Ik met mijn boek in de stoel, zij in diepe slaap op haar kleedje. Lief toch?

‘Straks wil je zelf nog een hond’ schrijft Aletta vervolgens. Marin wil wel. Maar nee, hoe lief ook, dat zit er niet in. We houden het gewoon bij een logeerhond en dat is toch al heel wat.

Stilte en stille zaterdag

Tags

, , , , ,

Stille zaterdag, maar een stille zaterdag is het allerminst. Zoals de afgelopen weken en dagen ook niet bepaald stil zijn verlopen. Ik werk weer volledig, ik pak van alles op en het is fijn dat het kan. Tegelijk merk ik dat ik de stilte wel moet blijven opzoeken. Hoe lastig dat ook is. Stilte in de vorm van rust, in balans en ritme. Van je ogen sluiten en wegdommelen in je dromen.

Stilte keert je blik naar binnen. Dat vind ik niet altijd prettig. In de stilte gaan mijn gedachten alle kanten op. Naar wat ik nog moet doen, waar ik me zorgen over maak, wat me bezig houdt. Stilte is fijn en aangenaam en tegelijk voel ik mezelf in de stilte. Dan voel ik niet alleen de spierpijn van het lopen, het kiepert ook een hoop vragen en twijfel op mijn schoot.

Stille zaterdag…..

In de tuin zoek ik de stilte. Momenten van stilte geven rust, ik ervaar dat steeds meer zo. De zon op mijn gezicht, warmte vanuit de hemel. Zoals ook Goede Vrijdag en Pasen de warmte en het licht van Gods genade laten zien. Dwars door het lijden en sterven van Jezus, in de eenzaamheid die Jezus ervaren heeft, reikt God mensen de hand toe. Een hand vol leven, een hand vol liefde. Bij God kunnen we thuiskomen.

In de stilte denk ik daar aan. Met open ogen maakt het me blij. Met mijn ogen gesloten, worstel ik met mijn eigen binnenkant. In de stilte zie ik zoveel wat anders kan. Waarin ik faal, waarin ik bots, waarin ik val en struikel en soms is daar ineens dat stemmetje van onzekerheid. De vertwijfeling, het onrustige gevoel dat het niet voor mij kan zijn.

Ik heb de stilte nodig om dat aan te raken en dichtbij te laten komen. Ik heb de stilte nodig om dat in woorden bij God neer te leggen, te vragen of hij het gevoel wil overnemen dat me soms zo laat twijfelen en wat zo vergroeid is met mij. Om te vragen of ik meer en meer die zekerheid mag omarmen dat ik goed genoeg ben. Goed genoeg, omdat Jezus het goed genoeg heeft gemaakt door zijn lijden, zijn sterven, zijn opstanding. Dat deed hij niet alleen voor ons, hij deed dat ook voor mij.

Ook voor mij.

Ik heb de stilte nodig om dat hardop te kunnen zeggen. Ik haper en val stil.

Stilte.

Stille zaterdag, maar een stille zaterdag is het allerminst!

Saharastof

Tags

, , , ,

Saharastof. Ik vind het wonderlijk en ik tuurde er vanmorgen naar. Ik vind het wonderlijk, stof dat hier naar beneden dwarrelt. Mijn vinger moet het wel aanraken, wegvegen, vormen maken. Stof dat van zo ver is weggewaaid. Eerst was het daar, nu is het hier.

Zoals ik ook vol verwondering kan kijken naar vogels die wegtrekken. Waar gaan ze heen, hoe is hun reis? Als ze hier in grote getale weer terugkeren, vraag ik me af wat ze in de tussentijd hebben beleefd. Verwonder ik me erover dat ze de weg weer weten te vinden en hier hun nest gaan bouwen. Zoveel slagen in de lucht, hun vlucht door de wolken. Om de wereld en weer terug. Ik vind dat mooi.

Saharastof, de woestijn laat sporen na. Ver weg van alle hitte, ver weg van leegte en eindeloos verre horizon. Weggevoerd met de wind is het stof van de woestijn ineens dichtbij. Als Saharastof onze oprit weet te bereiken, sporen na laat op de laklaag van de auto, lijkt de wereld zo klein. Als vogels in hun vlucht terugkeren van warme landen en hier neerstrijken, lijkt de wereld zo klein. Aan te raken.

De wereld zo klein.

De wereld is niet klein. Ik voel me wél klein. Ik voel me klein bij alles waar ik geen grip op heb. De wereld draait haar rondje, de zon straalt warmte af. Vogels vliegen, stof dat dwarrelt, iedereen laat zich meevoeren. Ik kan alleen maar met verwondering kijken en een besef van kleinheid voel ik bij dat alles.

Ik voel me klein bij alle verhalen van mensen. Van verdriet en eenzaamheid, zorgen en ziekte. Van rouw en verlies, van misbruik en geweld. Van oorlogen en vervolging van medechristenen. Ik kan wel wegkijken, maar het dwarrelt net zo goed mijn wereld in. Oekraïne. Het raakt de laklaag van mijn leven en ik poets het niet zomaar even weg. Het is er en het is dichtbij.

De wereld dichtbij, de oorlog dichtbij. Oorlog in landen, oorlog in harten. Wat kan ik doen, wat kan ik zijn? Ik voel me een zandkorreltje in de woestijn. Een vogel tussen de vele vogels in. Op reis.

Daar mijmerde ik vandaag over. In de zon, met mijn blik gericht op het stof op de auto. Met mijn gedachten en mijn hoofd vol beelden en verhalen. De wereld is groot en ik voel me klein. Ik sta zo vaak met lege handen. Totdat het neerdwarrelt naar beneden en het zichtbaar is. Met mijn vingers, met mijn handen tastbaar is. Ik raak het aan. Ik raak een stukje wereld aan.

Saharastof. De woestijn dichtbij.

Zachte landing

Tags

, , , ,

Mijn opa en oma verbleven altijd in ons huis als wij op vakantie gingen. Mijn oma kon, door haar handicap, niet de trap gebruiken. In de ruime serre kwamen twee bedden te staan. Mijn matras lag het lekkerste voor mijn oma, dus deze werd vanaf mijn zolderkamer via de trappen naar beneden gedragen. Of gegleden, dat denk ik eerder.

Het had wel iets. Als je dan thuis kwam, hing de geur van mijn opa en oma in huis. In de koelkast lag een schaaltje draadjesvlees en er zullen vast sperziebonen in de diepvries zijn gedaan. Boontjes en draadjesvlees, dat hoorde bij mijn oma. Op de tafel lag een zakcentje voor de spaarpot en een briefje met een krabbeltje van mijn opa en oma en het kan ook maar zo een gedicht zijn geweest. Mijn opa schreef altijd voor je verjaardag een kaartje met daarop een eigen geschreven gedicht. Voor jou persoonlijk in zijn eigen zo herkenbare handschrift. Hou ouder hij werd, hoe kriebeliger het werd. Ze kwamen op de stapel ansichtkaarten, ik heb helaas maar een enkeling bewaard.

Er werd vaak ook wat lekkers voor ons neergelegd. Een reep chocolade of kauwgom. Zo’n lange strip met een rij vol kleurrijke kauwgomballen. Als het niet beneden op tafel lag, rende je naar boven naar je slaapkamer. Dan had opa vast iets op je slaapkamer gelegd.

Je slaapkamer is sowieso weer fijn om te zien na je vakantie. Je eigen bed. Heerlijk om na een lange vakantie je weer te nestelen tussen je eigen dekens en je hoofd neer te leggen op je eigen kussen.

Toch?

Daar kwam ik mijn kamer op. Tegen de muur aan stond mijn bed. Mijn eigen schone dekens, mijn eigen ietwat platte kussen. Ik wilde niets liever dan met een aanloopje op mijn bed afrennen en met een grote sprong een heerlijke duik nemen op mijn matras. Zonder erbij na te denken deed ik dat dan ook. Ik nam een aanloopje, ik sprong…..

…en toen besefte ik ineens iets. Ik zweefde ergens boven mijn bed, mijn zachte deken onder mij. Schijn bedriegt. Daaronder zat immers geen matras. Dat matras lag nog beneden op het bed waar mijn oma al die weken op geslapen had. In plaats van een zachte landing, belandde ik met mijn lichaam verstrengeld tussen de latten van de lattenbodem. Een zachte landing was het allerminst.

Had ik weer.

Soms besef je ineens dat er geen zachte landing zal zijn. Dat begreep ik ook in die ene seconde dat ik boven mijn bed zweefde, maar niet terug kon. Ik had even iets langer moeten nadenken, iets minder spontaan mijn sprong op bed moeten wagen. Dan had ik geweten dat onder mijn warme deken enkel een lattenbodem was. Dat gevoel van toen kan ik nog naar bovenhalen. Dat moment dat je weet dat je niet terug kan en de pijn maar ondergaat.

Fijn thuiskomen!

Verkreukeld tussen de latten, mijn pijn verbijtend, zie ik op mijn bureau iets liggen. De kauwgom, die mijn opa voor mij heeft neergelegd. In het grote huis, sliep ik boven op zolder. Vier trappen moest hij op en af om voor mij dit neer te leggen. Hoewel hij dit altijd deed, iedere zomervakantie weer, was het toch iedere keer weer een leuke verrassing. Daar lag dan die kauwgom. Speciaal voor mij!

Alsnog een zachte landing!

Omarmen

Tags

, , ,

Mag ik bij je zijn?

Ik wil mijn armen om je heen slaan, maar je bent zo kwetsbaar. Mag ik je wel aanraken? Kom ik niet te dichtbij? Ik wil je wiegen in mijn armen, dat je huilen mag. Gewoon mag huilen, omdat er geen woorden voor zijn. Geen woorden voor, alleen maar pijn.

Ik wil mijn armen om je heen slaan en je laten voelen dat het veilig is. Dat mijn armen je willen koesteren, niet verstikkend willen zijn. Ik wil je toefluisteren dat het niet je schuld is, dat het nooit jouw schuld kan zijn. De schaamte in je ogen en je angst voor afwijzing. Dat gevoel dat je niet meer compleet kan zijn, dat je nooit meer onbevangen zal zijn.

Ik hoor je wel. Ik voel je wel. Ik durf je niet te omarmen, maar ik wil het wel.

Je pijn, je schaamte, je angst. Ik hoor de stem op je schouder die je zegt dat het nooit zo groot kan zijn. Dat het nooit helemaal zo is, zoals het in jouw beleving zich heeft afgespeeld. Dat het verhaal twee kanten heeft, dat er altijd alleen maar verliezers zijn. Dat de dader net zo goed een slachtoffer is. Dat het al zo ver in het verleden ligt en, ook dat, dat er ook iets als vergeving is.

Ik sla mijn handen voor mijn oren. Ik wil je niet horen, ik wil je niet zien, ik wil je niet voelen. Ik wil het verdriet niet. De schuld en de schaamte en de pijn. Ik wil je niet in de ogen kijken, liever niet. Liever niet, dat jij, dat jij daar bent.

Maar daar ben jij. Je bent er wel. Ik voel je volop. Jij hier zo dichtbij. Jij bij mij. Ik bij jou.

Ik ga je troosten. Ik ga je omarmen. Ik ga je dragen, in mijn armen. Ik ga de stem op je schouder wegjagen en ik fluister je toe dat jouw verdriet er gewoon mag zijn. Zelfs je boosheid, ook dat. Ik ga je liefhebben, ik ga je zó ontzettend liefhebben!

Mag ik bij je zijn? Ik bij jou en jij bij mij.

Ruimte

Tags

, , , ,

Hoeveel ruimte heb je nodig? De vraag die me tijdens de revalidatie gesteld werd, kwam het afgelopen jaar geregeld op me af. Ik zie mezelf weer staan in het lokaal, de touwtjes op de grond. Ik pakte er voldoende om een kleine kring om me heen te leggen. Zoveel ruimte had ik nodig en dat leek me meer dan genoeg. Voldaan keek ik de trainer aan.

Zoveel ruimte was het echter niet. Het was voldoende om in te staan, maar niet voldoende om in te bewegen. Niet voldoende om volop en diep in te kunnen ademen. Adem is leven, is lucht, is ruimte om op te snuiven en je hele lichaam daarmee mee te vullen. Mijn ruimte was te klein, te klein om in te leven.

Dus kwamen er meer touwtjes van de stapel af en werd mijn kring vergroot. Dat lijkt meer adem te geven, meer vrijheid om te bewegen. Het was echter ook spannend. In die grote kring moest ik mijn ruimte verdedigen. Mijn ruimte, mijn plek. Als de trainer over de touwtjes mijn cirkel binnenstapte, moest ik haar uit mijn ruimte zien te krijgen. ‘Wil je alsjeblieft….’ maar ze liep zo door. Ik kon wel duwen, maar alles in mij wilde haar niet kwetsen, dus mijn zachte zetjes hadden geen effect. Ik had mijn eigen cirkel aan ruimte om mij heen gelegd, maar ze banjerde er gewoon doorheen. Daar konden we samen natuurlijk wel om lachen, ik bezit voldoende zelfspot om de humor er wel van in te zien. Het was ook confronterend, te merken hoe lastig het is om je eigen ruimte te vergroten en tegelijk ook te verdedigen. Om volop lucht te happen, in te ademen zonder dat het knelt.

Door corona moeten we wel ruimte maken. 1,5 meter afstand houden, niet te veel bezoek in huis. Persoonlijk heb ik dit jaar ruimte moeten maken om te herstellen van corona. Aan het begin van 2021 eindigde mijn revalidatietraject en pakte ik langzaam mijn werk weer op. Die ruimte kreeg ik ook, om in stapjes te re-integreren. Het is fijn als je merkt dat je ruimte krijgt en anderen zorgzaam zijn daarin. Tegelijk moest ik ook zelf voldoende ruimte pakken om te rusten, alleen dan kon ik mijn werk oppakken. Balans blijven houden, evenwicht. Dat maakt dat ik ook dingen moet laten, dat ik niet overal ‘ja’ op kan zeggen. Dat is spannend. Want stel ik dan teleur? Kwets ik dan de ander niet? Blijf ik net zo waardevol als ik minder doe en kan?

Soms werd ik zomaar in de ruimte van de ander geplaatst. Ook dat maakte ik mee dit jaar en terugkijkend op 2021 is dat iets wat me erg heeft geraakt. Ik mocht heel dichtbij komen, in de kwetsbaarheid van het sterven. In het gevecht en de berusting, in het loslaten, in de laatste ademhaling. Mijn handen bij haar hoofd, gesloten ogen. Mijn armen om de ander, in het verdriet en de rouw. Mijn eigen tranen, mijn hoofd op haar schouder.

Het is fijn om ruimte te scheppen voor de ander en om te voelen dat de ander ruimte voor jou maakt. Bijzonder als in die ruimte mooie gesprekken zich vormen, er stilte kan zijn, tranen mogen stromen, de koffie met zorg voor jou wordt gemaakt, als je samen bidden kan. Er ruimte is om de ander te laten zijn wie hij of zij is en om zelf te ervaren dat je niets van jezelf hoeft weg te vagen. Dat er ruimte is om jezelf te zijn en op adem te komen.

Hoeveel ruimte heb je nodig? Het is de vraag die me dit jaar heel veel bezig heeft gehouden. Bewust en onbewust. In mijn ademen en mijn adempauze. Hoeveel ruimte heb ik nodig en hoeveel ruimte geef ik jou?

Ruimte.

Ik hoop dat 2022 een jaar mag zijn voor meer ruimte. Ruimte om elkaar te ontmoeten. Dat er ruimte mag komen voor meer begrip naar elkaar, ruimte om naar elkaar te luisteren, elkaar te verstaan. Ik hoop op meer ruimte om elkaar te accepteren, om elkaars ruimte te accepteren. Ruimte om te ademen en op adem te komen.

Ik wens je toe dat je Gods liefde mag ervaren in de ruimte van je leven, in alles wat je bezig houdt. In de cirkel van ons bestaan, daar is God. Spannend? Vind ik wel. Ik vind dat wel spannend. God zo dichtbij, maar ik verlang er wel naar. Dat God daar is en dat ik de touwtjes zo weet te verleggen, dat er volop ruimte voor Hem is. Volop ruimte is om Zijn liefde in te ademen, tot aan mijn tenen toe.

Ik wens jullie allemaal een gezegend 2022 toe!

Radslag op de balk

Tags

, , , ,

Ooit zat ik op turnen. Ik was niet een turn-meisje, vond ik. Mijn vriendin was dit echter wel en die vond het leuk als ik ook mee ging. Met wat aansporing en aanmoediging, was ik om. Turnen kon best leuk zijn en ik kon het op zijn minst proberen. Dus daar ging ik dan, met mijn turnpakje aan springen op een trampoline. Ik hing in de ringen en zweefde heen en weer, de vouwhang deed ik met gemak. Ik maakte koprollen op de mat, sprong over de bok en liep volledig in evenwicht over de balk.

Tot zover was het leuk.

Tot het moment aanbrak dat ik een radslag moest gaan oefenen. Niet op de mat, dat wilde ik nog wel doen, maar op een balk. Op die balk waar ik prima in balans over heen kon lopen en het gevoel had dat ik dat met veel souplesse kon volbrengen. En dat voor iemand die doorgaans wat scheef en onhandig door het leven liep. Al zwierend gevouwen in de ringen en al paraderend over de balk, was daar enkel het gevoel van trots en een groeiend besef dat ik mogelijk aanleg had.

Soms denk ik terug aan die turnlessen. Hoe trots ik was op mijn turnpakje en het gevoel had dat ik volledig in balans kon zijn. Dat ik met mijn lenigheid kon zwieren tot bijna aan het plafond (nou ja, zo voelde dat) en niet losliet in de ringen, totdat ik bij dat punt was, waar ik los moest laten. Weer met beide benen op de grond stond, na een voor mijn gevoel volmaakte sprong.

Zucht.

De balk. Een radslag op de balk. Dat zag ik niet voor me. Radslag op de mat, in balans blijven lopen over de balk, dat was allemaal prima. Een radslag op de balk, ik kreeg dat niet voor elkaar. Ze moedigden me aan, ze stonden naast me, maar de twijfel was te groot. Mijn ietwat schreeuwerige turnlerares raakte geïrriteerd. Alles in mij blokkeerde en de radslag op de balk deed ik niet. Ik durfde niet, ik durfde het gewoon niet.

Waar was ik bang voor?

Ik heb nog steeds wel van die momenten. Dat ik zwier en loslaat, dat ik spring en netjes over de lijnen loop. Dat ik volop in balans ben en mijn evenwicht onder controle heb. Er zijn echter ook de radslagen, de radslagen op de balk. Dan word ik bang. Hoeveel handen me ook willen vangen, hoeveel aanmoediging ik ook hoor. In mijn hoofd zitten zoveel stemmen die me zeggen dat ik gewoon braaf de balk moet aflopen. Beide armen gestrekt, in een perfecte houding en met opgeheven hoofd.

Radslag op de balk. In gedachten loop ik over de balk. Schouders achteruit, rechtop en niet houterig me voortbewegend. In gedachten zet ik stap voor stap mijn voeten neer. Zonder te wiebelen, met ingehouden adem totdat ik uitadem en het erop waag.

Zucht.

Met mijn ogen dicht zie ik het ineens voor me. Ik maak me lang en in één beweging gaan mijn handen vooruit, raken vlak na elkaar de balk aan. Mijn lijf gaat mee, mijn benen hoog. Eén strakke lijn…..maar ik maak het niet af. Ik begin te twijfelen, ik besef waar ik mee bezig ben. De balans ben ik kwijt en ik voel de angst. Bang om de grip te verliezen, bang om los te laten.

Ik zie het voor me en kijk verder, voorbij de angst.

Als ik heel goed kijk dan merk ik dat het niet erg is, dat handen me vasthouden en mijn val gebroken wordt. Dat niemand me uitlacht en boos wordt, maar dat ik het gewoon wéér proberen mag. Totdat het lukt, die radslag op de balk. Volledig in evenwicht.

Uit mijn hoofd

Tags

, , , , ,

Als het mooi weer is en ik ben vrij, dan fiets ik. Dat deed ik voorheen niet. Ik werkte, ik was thuis druk. Ik studeerde, ik deed eigenlijk van alles en nog wat. Dan fietste ik wel, maar dat was functioneel fietsen. Van A naar B. Nu fiets ik om daarmee uit mijn hoofd te zijn en natuurlijk ook om in beweging te blijven. Ik ben beter gemeld, ik werk weer, maar ik moet wel letten op een goede balans in rust en activiteit.

Als me iets is bijgebracht tijdens de periode van revalidatie, is dat ik minder in mijn hoofd moet zitten. Ik dacht dat ik me netjes hield aan het ‘rustig aan doen’ maar mijn ‘niets doen’ bleek toch meer energie te kosten dan ik dacht. Stil zitten in de stoel is net zo goed hard werken voor een denker en een dromer. Mijn gedachten maken kronkels, splitsen zich af in kruisingen en kromme bochten. Totdat ze weer samenkomen en ik via een omweg weer bij het begin ben waar ik ooit begon.

Dat is vermoeiend.

Dus gingen we op zoek naar fysieke activiteiten, waardoor ik minder in mijn hoofd zou zitten. Wandelen is een goede oplossing, maar nu ik een elektrische fiets heb, blijkt dit een mooi alternatief te zijn. Ik wist niet dat ik het zó fijn zou vinden om gewoon maar te fietsen naar waar de wind me voert. Nou ja, dat klinkt iets te poëtisch. Ik kijk vooraf wel waar ik ongeveer heen wil, maar het voelt anders dan fietsen van A naar B.

In mijn eigen tempo fiets ik. Soms op zandpaden waar ik bang ben om mijn evenwicht te verliezen en dan loop ik maar. Ik heb alle tijd. Soms mis ik een afslag, ik dwaal wel eens af. Dan neem ik een ander pad. Ook dat leer ik los te laten. Van A naar L en dan naar Z en vervolgens kom ik altijd thuis. Lang leve de routeplanner. Ik verwonder me steeds weer over zoveel moois waar ik langs fiets. Soms stop ik om de zoveel meter om al die mooie dingen te bewonderen en vast te leggen met mijn fototoestel. Mijn fototoestel gaat altijd mee.

Dan ga ik uit mijn hoofd.

Fietsen helpt me om uit mijn hoofd te gaan, om mijn gedachten los te laten. Onbewust gaan die gedachten altijd over in bidden. In woorden, echt geen volzinnen, die ik voorleg aan God. In mijn trappen zit de verwondering en de blijdschap over zoveel moois. In mijn trappen zit ook mijn twijfel en mijn vragen. Geregeld gaan ze over in brokstukken van beelden, van mensen, van situaties die zorgelijk zijn. Ik houd ze God voor. ‘Kijk dan God, ziet U het wel?’

Deze week fietste ik ook. Het was een week waarin ik zó bepaald werd bij verdriet in verschillende situaties. Zoveel zorgen en pijn in mensenlevens. Dat raakt me. Al die verhalen die blijven hangen in mijn hoofd, waar ik me bij betrokken voel. Al die vragen waar ik zo vaak geen antwoord op vind. Waar ik me machteloos bij voel en ik niet weet of ik wel iets betekenen kan. Hoe ik troosten kan.

Met al die gedachten, fietste ik langs een weiland. Er waren schapen, volop schapen. Ik stapte af en keek een tikkeltje jaloers naar ze. Onbezorgd zaten ze daar, loom kauwend en starend in een groene wei. Psalm 23. Ik moest denken aan psalm 23. Een psalm over donkere dalen, over moeiten waarin je het zicht verliest. Een psalm over de herder, die nooit zijn schapen uit het oog verliest. Die voor ze zorgt en van ze houdt. Dat geldt voor al die mensen in mijn gedachten en gebeden en het geldt ook voor mij.

Fietsen om uit mijn hoofd te gaan, om gedachten los te laten. Om te fietsen met omwegen, om me te laten verrassen, om nieuwe plekken te ontdekken. Om me te verwonderen en om gewoon te staren naar de schapen en stil te staan bij Gods zorg voor ons. Hoe dan ook. Hoe onvoorstelbaar moeilijk ook om te begrijpen op momenten dat je het niet ziet.

Hij is er wel! Ik weet het in mijn hoofd en het mag steeds meer een plekje krijgen in mijn hart.

Zo fiets ik vaak een rondje om. Uit mijn hoofd, kop in de zon.

Dit is een lied van Stef Bos. De tekst las een vriendin aan me voor toen we samen spraken over dat wat je zo vast kan houden in je hoofd en het verlangen om meer in je hart te zijn.

Rust en water

Tags

, , ,

‘Mag je hier zwemmen?’ onderbreekt een mannenstem mijn gedachten. Ik zit op het steigertje aan de waterkant. Beetje bewolkt, maar de zon schijnt volop. Mijn voeten in het water, muziek in mijn oren en de gedachten op oneindig. Plek waar ik rust zoek. Totdat ineens die steiger begint te wiebelen en ik daardoor weet dat er iemand aan komt lopen. Dat gebeurt wel vaker, voorbijgangers die achter me langs lopen. Meestal groeten ze alleen, soms maken ze een praatje.

Nu zie ik in mijn ooghoek dat het geen voorbijganger is, maar de ietwat oudere man die ik al samen met een vrouw heb zien zitten. Ze hadden beiden ook de voeten in het water. Ik ging helemaal aan het andere stuk zitten. Nu staat hij ineens naast mij met de vraag of je hier zwemmen mag. ‘Nou’ zeg ik ‘dat denk ik niet. Het is een natuurgebied’. Dat weet hij wel, maar er is nergens een bordje waarop staat dat het niet mag. Heerlijk die logica.

Mijn voeten bewegen nog steeds in het water. Hij kijkt er naar en legt me uit waar het water weg komt waar mijn voeten nu in zitten. Bij het woord ‘riool’ wil ik als in een reflex mijn voeten omhoog halen, maar meneer stelt me gerust. Het water is helder, je kan de bodem zien. Mijn oordopjes liggen inmiddels op mijn schoot, ik heb het gevoel dat meneer niet zomaar weg is.

Hij vertelt me dat hij thuis geen leidingwater meer gebruikt en ik word getrakteerd op een beschrijving van het filtersysteem dat hij in zijn huis geïnstalleerd heeft. Iets met omgekeerde osmose en als hij me vraagt of ik weet wat osmose is, knik ik ja. De theorie die ik ooit met biologie heb geleerd, komt volop bovendrijven. Vervolgens legt hij me haarfijn uit wat er slecht is aan leidingwater en gooit termen, getallen en waarden naar mijn hoofd, waar ik echt niets van begrijp. Hij blijft daar maar naast mij staan op die wiebelige steiger, terwijl ik zit en het water zo nu en dan laat spetteren met mijn voeten. Ik probeer uit te stralen dat ik hem begrijp, terwijl mijn ogen half dichtgeknepen zijn door de felle zon.

Van kraanwater gaat het verhaal naar het water in de plastic flesjes. Meneer geeft me advies over het merk dat wél schoon is en welk merk totaal geen meerwaarde heeft ten opzichte van kraanwater. Daarbij komt nog dat plastic flesjes poreus worden en uiteindelijk ziekmakend kunnen zijn. De details laat ik maar achterwege. Ik hoor alles geduldig aan, ik heb alle tijd.

Zelf blijkt hij artritis te hebben. Schoon water had hem geholpen bij de klachten én hij gaat elke week naar de sportschool. Om zijn soepelheid en lenigheid te bewijzen, buigt hij zich voorover en toont mij dat hij daadwerkelijk met zijn handen de grond kan raken. Ik probeer serieus te blijven en duw de gedachte weg dat de hele situatie toch wel wat komisch aandoet. De steiger wiebelt er op los. Terwijl ik de soepelheid van meneer bewonder en dat ook uitspreek, begin ik me af te vragen waarom hij naar mij toegelopen is. Was dat alleen maar om het zwemmen geweest?

‘En gaat u zwemmen?’ vraag ik maar om het gesprek weer naar het begin te leiden. Hij lacht uitbundig. ‘Nee, vandaag niet’ en hij wenst me een fijne dag toe. ‘Osmosepomp’ zegt hij nog ‘zoek het maar op, osmosepomp.’ Hij draait zich om en loopt weer terug naar de vrouw.

Osmosepomp. Het woord blijft hangen in mijn hoofd en ik zoek het op internet op. Ik duw de oortjes in mijn oren, luister naar de muziek en sluit mijn ogen. Mijn voeten in het water. Ik moet er in gedachten om glimlachen. Dat iemand zo de moeite neemt om naar mij toe te lopen, om me iets te leren over de schoonheid van zuiver water. Leuke ontmoeting.

Rust en water, kan het mooier?

Waterput

Tags

, , , ,

Waterputten, soms zie ik ze als ik een eindje fiets. Als sierstuk in de tuin en soms ook nog echt in gebruik. Ik heb de neiging om af te stappen en over de rand van de put naar beneden te kijken. Ik ben altijd benieuwd naar de diepte, naar de bodem. Is er water of niet? Putten moedigen me ook aan om te roepen en te ontdekken of er een echo is. Zoals je dat vroeger als kind deed: ‘Hoe heet de burgemeester van Wezel….. in de hoop dat je dan in de echo ‘Ezel’ hoort.

Waterputten associeer ik met verhalen uit de Bijbel. Dan denk ik aan Jozef in de put en aan de Samaritaanse vrouw die Jezus ontmoet en leert kennen als ze water haalt. Ik denk ook aan psalm 130: ‘Uit de diepte roep ik tot U’. Putten zijn plekken waar je in gevangen kunt zitten, die diep zijn, waar het donker is en waar de hemel veraf lijkt. Je kunt letterlijk voelen dat je in de put zit. Zeker is het troostvol te weten dat Gods handen altijd onder je zijn, maar voel het maar eens als je leven zo beheerst wordt door verdriet en zorgen. Als je geen weg naar boven ontdekt, geen touw om je aan op te trekken. De hemel op afstand.

Soms zijn de wolken binnen handbereik en leun je tegen een waterput aan. Staar je naar de bodem. Gras kriebelt speels je tenen, bomen staan als vrienden om je heen, de zon op je rug en de warmte voelbaar op je schouders. Dan kan je toch ineens zo verlangen naar water. Wil je roepen en schreeuwen de diepte in. Wil je touwen werpen naar een ieder die vast zit, om ze omhoog te trekken. Zo vaak lukt dat niet.

Ik gooi steentjes naar beneden. Ieder steentje een gebed. Ze klinken na als ze de bodem raken. Ik roep woorden de diepte in. Ik probeer stil te zijn, te luisteren. Mijn hart klopt te hard, ik hoor mijn eigen ademhaling.

Waar ben je dan?

Ik weet het wel. Om ons heen. Onder de bodem van onze diepste waterputten, zijn jouw handen. In de wolken boven mijn hoofd, waar ik zo graag in wegdroom en zacht zing als niemand me hoort. Je bent in het gras, dat me kriebelt en laat lachen, je bent in de bomen die wuiven naar mij.

En toch….

Ik kan zo verlangen naar jouw echo. Dat het hoorbaar is. Dat er meer is dan een bodem en een diepte en een hoogte. Dat het meer is dan water, een plek waar ik mijn steentjes in kan werpen. Dat het meer is dan een plek waarin mijn geluid verdwijnt, mijn wensen, mijn vragen, mijn verhalen. Dat het meer is dan een plek waar ik mijn eigen spiegelbeeld in zie.

Dat jij daar bent. Dat jij daar zit. Dat we samen kunnen lachen om de echo die hoorbaar is.