‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’

Tags

, , , , ,

‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ met die vraag startte mijn fietstocht die dag. We zijn op vakantie geweest in Beekbergen, volop bos en heide. Ik heb veel gefietst, samen met Iris en Marin, maar ook veel alleen. Met de mobiel aan mijn stuur geklemd, om de gekozen route te volgen. Het blauwe bolletje op de fietsplanner laat me zien waar ik heen moet en waar ik af moet slaan. Ik heb een eindpunt ingevoerd en gekozen voor de natuurroute. Dat is niet de snelste route, integendeel. Daardoor kom ik wel op weggetjes waar ik anders aan voorbij zou gaan.

Dat was precies wat er gebeurde, terwijl ik langs de drukke weg fietste, amper twee kilometer vanaf het startpunt. Dus daar stond ik in de berm, voorovergebogen over het stuur te turen naar het scherm. De zon maakte het moeilijk om het goed te kunnen zien. Het moet er onhandig uitgezien hebben. De bewoner van één van de huizen aan de kant van de weg loopt vriendelijk lachend langs mij heen. ‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ en ik kijk op. Ik bedank hem hartelijk en vertel hem dat ik eruit ben. Ik steek over en sla een paadje in, met hobbels, zand en steentjes, dwars door het bos.

Eindeloos veel bos. Bos ruikt lekker, ik snuif de geur op. Ik kom niemand tegen. Het hele bos voor mij alleen. Zo voelt het. Ik hoor de vogels fluiten, de bladeren ritselen en de bomen bieden verkoeling tegen de felle zon die schijnt. Soms zijn er steile hellingen waar ik tegenop fiets, maar daarna volgt vanzelfsprekend de afdaling. De wind langs mijn wangen. Mijn gedachten in volle vaart achterlatend. ‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ de zin lijkt na te galmen, echo in mijn hoofd.

Het pad buigt af in een bocht naar links. Vanuit de beschutting van het bos, waar de bomen geen horizon bieden, fiets ik ineens midden in de felle zon. Voor mij is het bos verdwenen, staat nog een enkele boom. Voor mij is zand, heide, een vlakte die tot ver naar voren rijkt. ‘Wauw’ denk ik hardop en weer sta ik stil in de berm. Helemaal alleen in de leegte. Zo voelt het landschap aan. Het ontroert me. De glooiing, de paarse hei, de gelige strootjes, het zand waar de zon zijn stralen op werpt. De enkele boom die vergaan is, maar met zijn gebogen houding me toch weet te raken.

Leegte.

Ik kan het gevoel niet goed omschrijven. Ik heb daar een tijd staan staren en me afgevraagd wat me zo ontroerde. Los van het mooie landschap, de schepping om mij heen. In de schepping zie ik de Schepper, zie ik God. God die nooit ver weg is in mijn hoofd, maar in mijn hart geregeld ongrijpbaar is. Die de God is van het leven, van de fluistering en de wind, maar ook de God waarbij ik zoveel vragen heb. ‘Waar was je God, op al die moeilijke momenten in mijn leven? Waarom heb ik me zo vaak alleen gevoeld, zo eenzaam zonder jou? Waarom vind ik het moeilijk om jou écht te vertrouwen? Waarom is mijn beeld van jou zo beschadigd. Waarom….?’

Al die vragen kwamen samen in dat ene moment, met mijn voeten in het mulle zand langs een pad dat ik anders voorbij gegaan was, ontlopen had. Midden in de leegte, met de schoonheid van de heide, met de rust, een ingehouden adem en het besef dat God dus ook hier te vinden is.

Toch?

‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’

Wie zie jij?

Tags

, ,

‘Wie zie jij als je in de spiegel kijkt?’ Ik kreeg die vraag ooit eens gesteld. Om over na te denken. Als ik de vraag herlees in mijn krabbels en aantekeningen die ik her en der bewaar, mijmer ik daar alsnog over. Een vraag die ik herlees terwijl ik een afspraak bij de kapper heb staan. Naar de kapper ga je, zoals je ook met regelmaat naar de tandarts gaat. Althans, zo voelt dat vaak voor mij. Het is iets wat wel moet, maar wat ik niet graag doe.

Dat begint al bij de vragen die gesteld worden als je nog maar net zit. ‘Wat wil je?’ is de logische eerste vraag. ‘Knip maar gewoon, dan kan ik weg’ maar dat denk ik alleen maar, dat zeg ik uiteraard niet hardop. ‘Net als de vorige keer’ zeg ik, maar ik weet ook dat het daar niet bij blijft. ‘Wil je het in laagjes of niet? Wil je het gesneden? Wil je het tot iets onder het oor, wil je….?’ en al die vragen geven lichte paniek van binnen. Ik weet het niet. ‘In ieder geval uitdunnen’ zeg ik altijd maar, want iedere kapper begint over de dikke bos haar. Dan verschijnt er een lach bij de kapper en woelt ze met haar handen even luchtig door mijn haar: ‘Ja, het zal vooral uitdunnen zijn!’

Er komen belangstellende vragen of ik vrij heb die dag, of ik op vakantie ga, of ik…..en ook dat vind ik lastig. Ik wil in de kappersstoel verdwijnen, ik wil onzichtbaar zijn voor mezelf. Ik wil het liefst mijn ogen sluiten als ik bij de kapper ben. ‘Laat me’ dat gevoel. Dat ik binnen in mezelf mag zijn. Dat ze me knipt en dat ik me daarna weer onbevangen kan spiegelen. Al is het van veraf.

‘Wie zie jij als je in de spiegel kijkt?’

Ik heb het mezelf inmiddels makkelijker gemaakt. Ik reserveer mijn afspraak steeds bij dezelfde kapster. Ze weet wat ik wil en ze weet dat ze me geen kleurtje in het haar hoeft aan te praten. Ze weet waar ik werk, ze kent mijn gezin en we praten gewoon verder waar we gebleven waren. Dat maakt mijn bezoek aan de kapper luchtiger en ontspannen. ‘Hoe was je uitje in de dierentuin, daar ging je toch heen met Hemelvaartsdag?’ vraag ik haar. ‘Ja, dat klopt!’ ze vertelt enthousiast over het dagje uit en over haar dochter, die nog het meest genoot van de treinreis.

Zo zat ik vandaag bij de kapper. Ik vond het gezellig en ik kletste mee. Ik vroeg haar om het iets meer in laagjes te knippen dan dat ze de vorige keer had gedaan en ik keek mee. Ik zag mezelf in verschillende spiegels. Van achteren en van voren, bij een kapper zijn écht veel spiegels. Ik keek naar mezelf, met mijn natte haren langs mijn gezicht en met de verkleurde wangen door de zon. Ik keek mezelf in de ogen en probeerde te ontdekken wie ik daarin zag.

Ze houdt nog eenmaal de spiegel achter me. Ik kijk en zie hoe ze mijn haren achter op mijn hoofd geknipt heet. ‘Het zit prima, dank je wel!’ en dat meen ik ook. Ze haalt het schort weg, de plukjes haar dwarrelen op de grond. Ik sta op en kijk mezelf aan. Mij. Mij dichtbij. Zó ontzettend dichtbij.

Wie zie jij?

Vliegeren

Tags

, , , , ,

Vliegeren. Ik moest er deze week ineens aan denken. Ik zat in de tuin, een beetje te dromen, een beetje te denken. Mijn gedachten waaiden alle kanten op. Soms gebeurt er veel op een dag. Op je werk, in je gezin, in gesprekken en woorden en beelden die dat oproept. Zo zat ik in de tuin, met mijn ogen dicht, op het randje van denken en dromen.

Op het randje van denken en dromen, van vasthouden en loslaten. Zo voelde het. De wind gleed langs me, langs mijn blote armen en benen en ik voelde de wind langs mijn wangen gaan. Een aai over mijn bol. Was het een aanmoediging om toe te geven aan de moeheid, aan het loslaten van gevoel en gedachten? Een aanmoediging om meer te luisteren naar de taal van mijn hart in plaats van mijn hoofd?

Mijn hoofd, soms zit ik zoveel in mijn hoofd.

De wind wakkerde vooral een herinnering aan. Aan vliegeren. Ik zag mezelf ineens als meisje rennen op het strand om de vlieger hoog te krijgen. Ik was ineens weer op Ameland, waar ik achter het vakantiehuisje vliegerde. Een stoffen vlieger, oranje en groen. Raar is dat, ineens plopt die herinnering naar boven en sta je daar de lijnen strak te houden.

Vliegeren. Turen naar de hemel, naar de vlieger in de lucht. Hoe die heen en weer zweeft en speelt met je gedachten. Hoe je tuurt en tuurt en bezig bent om de vlieger te laten dansen in de lucht. Een spel van loslaten en strakker trekken. Een spel van meebewegen, van je focus houden op de vlieger. Op de foto die ik heb van mezelf, zie je de concentratie in mijn blik. In dat koppie van me lees ik mijn drang om het perfect te doen, zie ik in alles dat ik het goed wil doen.

Meisje, met haar hoofd in de wolken en haar hart in haar binnenzak.

Met mijn ogen dicht wandelde ik in gedachten over het schelpenpad richting het strand. Ik hoorde de zee, voelde het zand tussen mijn tenen en de wind langs me heen. Ik begon te rennen met de vlieger in mijn hand. In gedachten was ik daar. Ik rende en rende maar door, totdat ik losliet. Op het randje van denken en dromen.

Vliegeren maar!

Zit jij daar?

Tags

, , , , ,

Ik heb je opgeschreven in mooie zinnen. Woorden waarin de taal ontbreekt. Ik heb je omgevormd in heel veel beelden en gedacht dat jij dat was. Mijn vragen, die ik hardop heb uitgesproken, ik was ze bijna weer vergeten. Mijn schaamte en mijn zelfverwijt, dat ik je niet zie, dat ik je niet vind in de plaatjes bij het verhaal.

Dus heb ik mijn teksten verscheurd. Mijn woorden liggen aan flarden voor me op tafel. Een prop papier die ik niet wil ontvouwen. Hier staan de woorden in beschreven, de tuin met zijn bloemen en de stenen waar ik altijd over struikelde. De kapotte knieën, de keukentafel met zijn kringen en krassen, de zolderkamer, de trap. In alles hoor ik mezelf roepen: ‘Waar ben jij?’

Ik wil je vernietigen. Ik wil je wegdoen en versnipperen, totdat er niets meer overblijft van wat wat jij niet bent. Dat wat jij niet bent, wil ik niet meer in woorden vangen. Ik wil je zien zoals je bent. Dus blijf ik zoeken, blijf ik vragen: ‘Waar ben jij?’ en meer nog ‘Wie ben je? Wie ben je dan voor mij?’

‘Oh God, word je nooit moe van mij?’

Ik zoek je in de kieren en de gaten, in de stilte en de rust. Ik zoek je in de bomen, de vogels, de bloemen en ik zoek je in de wolken, achter de grijze schimmen in de lucht. Ik zoek je in de regenbuien, in de druppels op het raam. Ik zoek je in de leegte, waar geen mens me tegemoet loopt.

Loop jij daar wel?

Ik zie de kreukels in mijn leven, ik hoor de stemmen in mijn hoofd. Was jij maar daar. Was jij daar maar om mij te omarmen, te koesteren, te laten weten dat er woorden zijn die kunnen sussen, al is het maar een fluistering. Of was jij daar en hoorde ik jou niet? Waren je armen er wel, maar durfde ik jou niet te voelen?

‘Oh God, durfde ik jou niet te voelen, maar was jij daar, bij mij?’

In de spiegeling van water, verborgen in de leegte, kijk ik naar de bodem en ik zie jou niet. Ik zie alleen de blauwe lucht, die mij vanuit het water aanstaart. Ik zie de zon en vooral haar glinstering. Ik zie mezelf. Ik kijk er graag langs heen, maar ik ben daar in het troebele water. In de leegte, in de stilte, in de rust.

In de leegte zit ik alleen. Ik zie mezelf.

Zit jij daar?

Hond in huis

Tags

,

We hebben een hond in huis. Een logeerhond. Tijdelijk, omdat bij vrienden het huis van binnen geschilderd wordt. Een hond die met een kwispelende staart of snuffelende snoet langs de geschilderde wanden veegt, is niet handig. Dus verblijft de hond een aantal nachtjes hier, tot grote blijdschap van Marin die zou willen dat we hier ook een eigen hond hebben. Dat zit er niet in.

Als ik met Aletta app (vriendin) en haar vertel over de hond, schiet ze in de lach. Althans, het ‘Whahahaha’ maakt dat zichtbaar op het scherm. Al snel volgt het volgende bericht op mijn telefoon: ‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ en er mist een uitroepteken, maar ik zie hem voor me in de frons op haar gezicht en het wederom in de lach schieten. Zó voorspelbaar.

Foto: Iris Scheringa

Gek is haar verbazing niet. Vroeger was ik écht bang voor honden. De achterburen hadden een hond genaamd Basje en daar keek ik vanachter het tuinhek naar. Tot zover was het heus een lieve hond. Bij tante Riek was dat anders. Een klein keffertje en bang als ik was rende ik rondjes om de salontafel. Een blaffende hond achter me aan en tante Riek die met beide handen in de zij hoofdschuddend toekeek. Totdat ze me ietwat streng toesprak dat Loekie alleen maar achter me aan bleef rennen als ik niet gewoon zou stoppen met rennen.

Bij honden voelde ik echter alleen maar de drang om weg te rennen, weg te kruipen en te ontwijken. Desnoods stak ik een straat twee keer over als ik daarmee niet een hond hoefde te passeren. Honden snuffelen aan je, blaffen, komen dichtbij en sommige honden hebben de gezellige gewoonte om twee poten op je schouder te leggen. Van mij hoeft dat niet.

Foto: Iris Scheringa

Mijn angst is inmiddels vrijwel helemaal verdwenen. Bij Aletta thuis was een poedel waar ik aan wende en om het een graadje moeilijker te maken, bleken ze bij manlief thuis een Rottweiler te bezitten. De eerste kennismaking met mijn schoonouders maakte het daardoor nog spannender. Het is goed gekomen. Zowel de kennismaking met mijn schoonouders als met de hond, die al wat op leeftijd was en niet grommend me verslond. Integendeel. Als je Rottweilers aankan, dan moet een keffende ‘Loekie’ of ‘Basje’ ook te overwinnen zijn.

‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ schreef Aletta. Nee, ik eigenlijk ook niet. En toch….’s morgens sta ik nog vroeger op om samen met Marin de hond uit te laten. Sta ik langs het grasveld geduldig te wachten tot de hond het ideale plekje heeft gevonden om zijn behoefte te doen en ben ik druk in de weer om dat op te rapen met een poepzakje. Ik sta hondenvoer fijn te prakken met een vork en neem de haren die overal dwarrelen en de geur van hond maar voor lief.

Foto: Iris Scheringa

De hond van onze vrienden is prima, ik vind haar best lief. Ze blaft niet naar iedereen, springt niet met twee poten op mijn schouders, weet dat ze het beste kan stoeien en aandacht kan vragen bij Marin of bij manlief. Dat is superfijn. Sterker nog, toen ik gisteravond alleen met haar in de kamer was, vond ik het zelfs wel gezellig en knus. Ik met mijn boek in de stoel, zij in diepe slaap op haar kleedje. Lief toch?

‘Straks wil je zelf nog een hond’ schrijft Aletta vervolgens. Marin wil wel. Maar nee, hoe lief ook, dat zit er niet in. We houden het gewoon bij een logeerhond en dat is toch al heel wat.

Stilte en stille zaterdag

Tags

, , , , ,

Stille zaterdag, maar een stille zaterdag is het allerminst. Zoals de afgelopen weken en dagen ook niet bepaald stil zijn verlopen. Ik werk weer volledig, ik pak van alles op en het is fijn dat het kan. Tegelijk merk ik dat ik de stilte wel moet blijven opzoeken. Hoe lastig dat ook is. Stilte in de vorm van rust, in balans en ritme. Van je ogen sluiten en wegdommelen in je dromen.

Stilte keert je blik naar binnen. Dat vind ik niet altijd prettig. In de stilte gaan mijn gedachten alle kanten op. Naar wat ik nog moet doen, waar ik me zorgen over maak, wat me bezig houdt. Stilte is fijn en aangenaam en tegelijk voel ik mezelf in de stilte. Dan voel ik niet alleen de spierpijn van het lopen, het kiepert ook een hoop vragen en twijfel op mijn schoot.

Stille zaterdag…..

In de tuin zoek ik de stilte. Momenten van stilte geven rust, ik ervaar dat steeds meer zo. De zon op mijn gezicht, warmte vanuit de hemel. Zoals ook Goede Vrijdag en Pasen de warmte en het licht van Gods genade laten zien. Dwars door het lijden en sterven van Jezus, in de eenzaamheid die Jezus ervaren heeft, reikt God mensen de hand toe. Een hand vol leven, een hand vol liefde. Bij God kunnen we thuiskomen.

In de stilte denk ik daar aan. Met open ogen maakt het me blij. Met mijn ogen gesloten, worstel ik met mijn eigen binnenkant. In de stilte zie ik zoveel wat anders kan. Waarin ik faal, waarin ik bots, waarin ik val en struikel en soms is daar ineens dat stemmetje van onzekerheid. De vertwijfeling, het onrustige gevoel dat het niet voor mij kan zijn.

Ik heb de stilte nodig om dat aan te raken en dichtbij te laten komen. Ik heb de stilte nodig om dat in woorden bij God neer te leggen, te vragen of hij het gevoel wil overnemen dat me soms zo laat twijfelen en wat zo vergroeid is met mij. Om te vragen of ik meer en meer die zekerheid mag omarmen dat ik goed genoeg ben. Goed genoeg, omdat Jezus het goed genoeg heeft gemaakt door zijn lijden, zijn sterven, zijn opstanding. Dat deed hij niet alleen voor ons, hij deed dat ook voor mij.

Ook voor mij.

Ik heb de stilte nodig om dat hardop te kunnen zeggen. Ik haper en val stil.

Stilte.

Stille zaterdag, maar een stille zaterdag is het allerminst!

Saharastof

Tags

, , , ,

Saharastof. Ik vind het wonderlijk en ik tuurde er vanmorgen naar. Ik vind het wonderlijk, stof dat hier naar beneden dwarrelt. Mijn vinger moet het wel aanraken, wegvegen, vormen maken. Stof dat van zo ver is weggewaaid. Eerst was het daar, nu is het hier.

Zoals ik ook vol verwondering kan kijken naar vogels die wegtrekken. Waar gaan ze heen, hoe is hun reis? Als ze hier in grote getale weer terugkeren, vraag ik me af wat ze in de tussentijd hebben beleefd. Verwonder ik me erover dat ze de weg weer weten te vinden en hier hun nest gaan bouwen. Zoveel slagen in de lucht, hun vlucht door de wolken. Om de wereld en weer terug. Ik vind dat mooi.

Saharastof, de woestijn laat sporen na. Ver weg van alle hitte, ver weg van leegte en eindeloos verre horizon. Weggevoerd met de wind is het stof van de woestijn ineens dichtbij. Als Saharastof onze oprit weet te bereiken, sporen na laat op de laklaag van de auto, lijkt de wereld zo klein. Als vogels in hun vlucht terugkeren van warme landen en hier neerstrijken, lijkt de wereld zo klein. Aan te raken.

De wereld zo klein.

De wereld is niet klein. Ik voel me wél klein. Ik voel me klein bij alles waar ik geen grip op heb. De wereld draait haar rondje, de zon straalt warmte af. Vogels vliegen, stof dat dwarrelt, iedereen laat zich meevoeren. Ik kan alleen maar met verwondering kijken en een besef van kleinheid voel ik bij dat alles.

Ik voel me klein bij alle verhalen van mensen. Van verdriet en eenzaamheid, zorgen en ziekte. Van rouw en verlies, van misbruik en geweld. Van oorlogen en vervolging van medechristenen. Ik kan wel wegkijken, maar het dwarrelt net zo goed mijn wereld in. Oekraïne. Het raakt de laklaag van mijn leven en ik poets het niet zomaar even weg. Het is er en het is dichtbij.

De wereld dichtbij, de oorlog dichtbij. Oorlog in landen, oorlog in harten. Wat kan ik doen, wat kan ik zijn? Ik voel me een zandkorreltje in de woestijn. Een vogel tussen de vele vogels in. Op reis.

Daar mijmerde ik vandaag over. In de zon, met mijn blik gericht op het stof op de auto. Met mijn gedachten en mijn hoofd vol beelden en verhalen. De wereld is groot en ik voel me klein. Ik sta zo vaak met lege handen. Totdat het neerdwarrelt naar beneden en het zichtbaar is. Met mijn vingers, met mijn handen tastbaar is. Ik raak het aan. Ik raak een stukje wereld aan.

Saharastof. De woestijn dichtbij.

Zachte landing

Tags

, , , ,

Mijn opa en oma verbleven altijd in ons huis als wij op vakantie gingen. Mijn oma kon, door haar handicap, niet de trap gebruiken. In de ruime serre kwamen twee bedden te staan. Mijn matras lag het lekkerste voor mijn oma, dus deze werd vanaf mijn zolderkamer via de trappen naar beneden gedragen. Of gegleden, dat denk ik eerder.

Het had wel iets. Als je dan thuis kwam, hing de geur van mijn opa en oma in huis. In de koelkast lag een schaaltje draadjesvlees en er zullen vast sperziebonen in de diepvries zijn gedaan. Boontjes en draadjesvlees, dat hoorde bij mijn oma. Op de tafel lag een zakcentje voor de spaarpot en een briefje met een krabbeltje van mijn opa en oma en het kan ook maar zo een gedicht zijn geweest. Mijn opa schreef altijd voor je verjaardag een kaartje met daarop een eigen geschreven gedicht. Voor jou persoonlijk in zijn eigen zo herkenbare handschrift. Hou ouder hij werd, hoe kriebeliger het werd. Ze kwamen op de stapel ansichtkaarten, ik heb helaas maar een enkeling bewaard.

Er werd vaak ook wat lekkers voor ons neergelegd. Een reep chocolade of kauwgom. Zo’n lange strip met een rij vol kleurrijke kauwgomballen. Als het niet beneden op tafel lag, rende je naar boven naar je slaapkamer. Dan had opa vast iets op je slaapkamer gelegd.

Je slaapkamer is sowieso weer fijn om te zien na je vakantie. Je eigen bed. Heerlijk om na een lange vakantie je weer te nestelen tussen je eigen dekens en je hoofd neer te leggen op je eigen kussen.

Toch?

Daar kwam ik mijn kamer op. Tegen de muur aan stond mijn bed. Mijn eigen schone dekens, mijn eigen ietwat platte kussen. Ik wilde niets liever dan met een aanloopje op mijn bed afrennen en met een grote sprong een heerlijke duik nemen op mijn matras. Zonder erbij na te denken deed ik dat dan ook. Ik nam een aanloopje, ik sprong…..

…en toen besefte ik ineens iets. Ik zweefde ergens boven mijn bed, mijn zachte deken onder mij. Schijn bedriegt. Daaronder zat immers geen matras. Dat matras lag nog beneden op het bed waar mijn oma al die weken op geslapen had. In plaats van een zachte landing, belandde ik met mijn lichaam verstrengeld tussen de latten van de lattenbodem. Een zachte landing was het allerminst.

Had ik weer.

Soms besef je ineens dat er geen zachte landing zal zijn. Dat begreep ik ook in die ene seconde dat ik boven mijn bed zweefde, maar niet terug kon. Ik had even iets langer moeten nadenken, iets minder spontaan mijn sprong op bed moeten wagen. Dan had ik geweten dat onder mijn warme deken enkel een lattenbodem was. Dat gevoel van toen kan ik nog naar bovenhalen. Dat moment dat je weet dat je niet terug kan en de pijn maar ondergaat.

Fijn thuiskomen!

Verkreukeld tussen de latten, mijn pijn verbijtend, zie ik op mijn bureau iets liggen. De kauwgom, die mijn opa voor mij heeft neergelegd. In het grote huis, sliep ik boven op zolder. Vier trappen moest hij op en af om voor mij dit neer te leggen. Hoewel hij dit altijd deed, iedere zomervakantie weer, was het toch iedere keer weer een leuke verrassing. Daar lag dan die kauwgom. Speciaal voor mij!

Alsnog een zachte landing!

Omarmen

Tags

, , ,

Mag ik bij je zijn?

Ik wil mijn armen om je heen slaan, maar je bent zo kwetsbaar. Mag ik je wel aanraken? Kom ik niet te dichtbij? Ik wil je wiegen in mijn armen, dat je huilen mag. Gewoon mag huilen, omdat er geen woorden voor zijn. Geen woorden voor, alleen maar pijn.

Ik wil mijn armen om je heen slaan en je laten voelen dat het veilig is. Dat mijn armen je willen koesteren, niet verstikkend willen zijn. Ik wil je toefluisteren dat het niet je schuld is, dat het nooit jouw schuld kan zijn. De schaamte in je ogen en je angst voor afwijzing. Dat gevoel dat je niet meer compleet kan zijn, dat je nooit meer onbevangen zal zijn.

Ik hoor je wel. Ik voel je wel. Ik durf je niet te omarmen, maar ik wil het wel.

Je pijn, je schaamte, je angst. Ik hoor de stem op je schouder die je zegt dat het nooit zo groot kan zijn. Dat het nooit helemaal zo is, zoals het in jouw beleving zich heeft afgespeeld. Dat het verhaal twee kanten heeft, dat er altijd alleen maar verliezers zijn. Dat de dader net zo goed een slachtoffer is. Dat het al zo ver in het verleden ligt en, ook dat, dat er ook iets als vergeving is.

Ik sla mijn handen voor mijn oren. Ik wil je niet horen, ik wil je niet zien, ik wil je niet voelen. Ik wil het verdriet niet. De schuld en de schaamte en de pijn. Ik wil je niet in de ogen kijken, liever niet. Liever niet, dat jij, dat jij daar bent.

Maar daar ben jij. Je bent er wel. Ik voel je volop. Jij hier zo dichtbij. Jij bij mij. Ik bij jou.

Ik ga je troosten. Ik ga je omarmen. Ik ga je dragen, in mijn armen. Ik ga de stem op je schouder wegjagen en ik fluister je toe dat jouw verdriet er gewoon mag zijn. Zelfs je boosheid, ook dat. Ik ga je liefhebben, ik ga je zó ontzettend liefhebben!

Mag ik bij je zijn? Ik bij jou en jij bij mij.

Ruimte

Tags

, , , ,

Hoeveel ruimte heb je nodig? De vraag die me tijdens de revalidatie gesteld werd, kwam het afgelopen jaar geregeld op me af. Ik zie mezelf weer staan in het lokaal, de touwtjes op de grond. Ik pakte er voldoende om een kleine kring om me heen te leggen. Zoveel ruimte had ik nodig en dat leek me meer dan genoeg. Voldaan keek ik de trainer aan.

Zoveel ruimte was het echter niet. Het was voldoende om in te staan, maar niet voldoende om in te bewegen. Niet voldoende om volop en diep in te kunnen ademen. Adem is leven, is lucht, is ruimte om op te snuiven en je hele lichaam daarmee mee te vullen. Mijn ruimte was te klein, te klein om in te leven.

Dus kwamen er meer touwtjes van de stapel af en werd mijn kring vergroot. Dat lijkt meer adem te geven, meer vrijheid om te bewegen. Het was echter ook spannend. In die grote kring moest ik mijn ruimte verdedigen. Mijn ruimte, mijn plek. Als de trainer over de touwtjes mijn cirkel binnenstapte, moest ik haar uit mijn ruimte zien te krijgen. ‘Wil je alsjeblieft….’ maar ze liep zo door. Ik kon wel duwen, maar alles in mij wilde haar niet kwetsen, dus mijn zachte zetjes hadden geen effect. Ik had mijn eigen cirkel aan ruimte om mij heen gelegd, maar ze banjerde er gewoon doorheen. Daar konden we samen natuurlijk wel om lachen, ik bezit voldoende zelfspot om de humor er wel van in te zien. Het was ook confronterend, te merken hoe lastig het is om je eigen ruimte te vergroten en tegelijk ook te verdedigen. Om volop lucht te happen, in te ademen zonder dat het knelt.

Door corona moeten we wel ruimte maken. 1,5 meter afstand houden, niet te veel bezoek in huis. Persoonlijk heb ik dit jaar ruimte moeten maken om te herstellen van corona. Aan het begin van 2021 eindigde mijn revalidatietraject en pakte ik langzaam mijn werk weer op. Die ruimte kreeg ik ook, om in stapjes te re-integreren. Het is fijn als je merkt dat je ruimte krijgt en anderen zorgzaam zijn daarin. Tegelijk moest ik ook zelf voldoende ruimte pakken om te rusten, alleen dan kon ik mijn werk oppakken. Balans blijven houden, evenwicht. Dat maakt dat ik ook dingen moet laten, dat ik niet overal ‘ja’ op kan zeggen. Dat is spannend. Want stel ik dan teleur? Kwets ik dan de ander niet? Blijf ik net zo waardevol als ik minder doe en kan?

Soms werd ik zomaar in de ruimte van de ander geplaatst. Ook dat maakte ik mee dit jaar en terugkijkend op 2021 is dat iets wat me erg heeft geraakt. Ik mocht heel dichtbij komen, in de kwetsbaarheid van het sterven. In het gevecht en de berusting, in het loslaten, in de laatste ademhaling. Mijn handen bij haar hoofd, gesloten ogen. Mijn armen om de ander, in het verdriet en de rouw. Mijn eigen tranen, mijn hoofd op haar schouder.

Het is fijn om ruimte te scheppen voor de ander en om te voelen dat de ander ruimte voor jou maakt. Bijzonder als in die ruimte mooie gesprekken zich vormen, er stilte kan zijn, tranen mogen stromen, de koffie met zorg voor jou wordt gemaakt, als je samen bidden kan. Er ruimte is om de ander te laten zijn wie hij of zij is en om zelf te ervaren dat je niets van jezelf hoeft weg te vagen. Dat er ruimte is om jezelf te zijn en op adem te komen.

Hoeveel ruimte heb je nodig? Het is de vraag die me dit jaar heel veel bezig heeft gehouden. Bewust en onbewust. In mijn ademen en mijn adempauze. Hoeveel ruimte heb ik nodig en hoeveel ruimte geef ik jou?

Ruimte.

Ik hoop dat 2022 een jaar mag zijn voor meer ruimte. Ruimte om elkaar te ontmoeten. Dat er ruimte mag komen voor meer begrip naar elkaar, ruimte om naar elkaar te luisteren, elkaar te verstaan. Ik hoop op meer ruimte om elkaar te accepteren, om elkaars ruimte te accepteren. Ruimte om te ademen en op adem te komen.

Ik wens je toe dat je Gods liefde mag ervaren in de ruimte van je leven, in alles wat je bezig houdt. In de cirkel van ons bestaan, daar is God. Spannend? Vind ik wel. Ik vind dat wel spannend. God zo dichtbij, maar ik verlang er wel naar. Dat God daar is en dat ik de touwtjes zo weet te verleggen, dat er volop ruimte voor Hem is. Volop ruimte is om Zijn liefde in te ademen, tot aan mijn tenen toe.

Ik wens jullie allemaal een gezegend 2022 toe!