Uit mijn hoofd

Tags

, , , , ,

Als het mooi weer is en ik ben vrij, dan fiets ik. Dat deed ik voorheen niet. Ik werkte, ik was thuis druk. Ik studeerde, ik deed eigenlijk van alles en nog wat. Dan fietste ik wel, maar dat was functioneel fietsen. Van A naar B. Nu fiets ik om daarmee uit mijn hoofd te zijn en natuurlijk ook om in beweging te blijven. Ik ben beter gemeld, ik werk weer, maar ik moet wel letten op een goede balans in rust en activiteit.

Als me iets is bijgebracht tijdens de periode van revalidatie, is dat ik minder in mijn hoofd moet zitten. Ik dacht dat ik me netjes hield aan het ‘rustig aan doen’ maar mijn ‘niets doen’ bleek toch meer energie te kosten dan ik dacht. Stil zitten in de stoel is net zo goed hard werken voor een denker en een dromer. Mijn gedachten maken kronkels, splitsen zich af in kruisingen en kromme bochten. Totdat ze weer samenkomen en ik via een omweg weer bij het begin ben waar ik ooit begon.

Dat is vermoeiend.

Dus gingen we op zoek naar fysieke activiteiten, waardoor ik minder in mijn hoofd zou zitten. Wandelen is een goede oplossing, maar nu ik een elektrische fiets heb, blijkt dit een mooi alternatief te zijn. Ik wist niet dat ik het zó fijn zou vinden om gewoon maar te fietsen naar waar de wind me voert. Nou ja, dat klinkt iets te poëtisch. Ik kijk vooraf wel waar ik ongeveer heen wil, maar het voelt anders dan fietsen van A naar B.

In mijn eigen tempo fiets ik. Soms op zandpaden waar ik bang ben om mijn evenwicht te verliezen en dan loop ik maar. Ik heb alle tijd. Soms mis ik een afslag, ik dwaal wel eens af. Dan neem ik een ander pad. Ook dat leer ik los te laten. Van A naar L en dan naar Z en vervolgens kom ik altijd thuis. Lang leve de routeplanner. Ik verwonder me steeds weer over zoveel moois waar ik langs fiets. Soms stop ik om de zoveel meter om al die mooie dingen te bewonderen en vast te leggen met mijn fototoestel. Mijn fototoestel gaat altijd mee.

Dan ga ik uit mijn hoofd.

Fietsen helpt me om uit mijn hoofd te gaan, om mijn gedachten los te laten. Onbewust gaan die gedachten altijd over in bidden. In woorden, echt geen volzinnen, die ik voorleg aan God. In mijn trappen zit de verwondering en de blijdschap over zoveel moois. In mijn trappen zit ook mijn twijfel en mijn vragen. Geregeld gaan ze over in brokstukken van beelden, van mensen, van situaties die zorgelijk zijn. Ik houd ze God voor. ‘Kijk dan God, ziet U het wel?’

Deze week fietste ik ook. Het was een week waarin ik zó bepaald werd bij verdriet in verschillende situaties. Zoveel zorgen en pijn in mensenlevens. Dat raakt me. Al die verhalen die blijven hangen in mijn hoofd, waar ik me bij betrokken voel. Al die vragen waar ik zo vaak geen antwoord op vind. Waar ik me machteloos bij voel en ik niet weet of ik wel iets betekenen kan. Hoe ik troosten kan.

Met al die gedachten, fietste ik langs een weiland. Er waren schapen, volop schapen. Ik stapte af en keek een tikkeltje jaloers naar ze. Onbezorgd zaten ze daar, loom kauwend en starend in een groene wei. Psalm 23. Ik moest denken aan psalm 23. Een psalm over donkere dalen, over moeiten waarin je het zicht verliest. Een psalm over de herder, die nooit zijn schapen uit het oog verliest. Die voor ze zorgt en van ze houdt. Dat geldt voor al die mensen in mijn gedachten en gebeden en het geldt ook voor mij.

Fietsen om uit mijn hoofd te gaan, om gedachten los te laten. Om te fietsen met omwegen, om me te laten verrassen, om nieuwe plekken te ontdekken. Om me te verwonderen en om gewoon te staren naar de schapen en stil te staan bij Gods zorg voor ons. Hoe dan ook. Hoe onvoorstelbaar moeilijk ook om te begrijpen op momenten dat je het niet ziet.

Hij is er wel! Ik weet het in mijn hoofd en het mag steeds meer een plekje krijgen in mijn hart.

Zo fiets ik vaak een rondje om. Uit mijn hoofd, kop in de zon.

Dit is een lied van Stef Bos. De tekst las een vriendin aan me voor toen we samen spraken over dat wat je zo vast kan houden in je hoofd en het verlangen om meer in je hart te zijn.

Rust en water

Tags

, , ,

‘Mag je hier zwemmen?’ onderbreekt een mannenstem mijn gedachten. Ik zit op het steigertje aan de waterkant. Beetje bewolkt, maar de zon schijnt volop. Mijn voeten in het water, muziek in mijn oren en de gedachten op oneindig. Plek waar ik rust zoek. Totdat ineens die steiger begint te wiebelen en ik daardoor weet dat er iemand aan komt lopen. Dat gebeurt wel vaker, voorbijgangers die achter me langs lopen. Meestal groeten ze alleen, soms maken ze een praatje.

Nu zie ik in mijn ooghoek dat het geen voorbijganger is, maar de ietwat oudere man die ik al samen met een vrouw heb zien zitten. Ze hadden beiden ook de voeten in het water. Ik ging helemaal aan het andere stuk zitten. Nu staat hij ineens naast mij met de vraag of je hier zwemmen mag. ‘Nou’ zeg ik ‘dat denk ik niet. Het is een natuurgebied’. Dat weet hij wel, maar er is nergens een bordje waarop staat dat het niet mag. Heerlijk die logica.

Mijn voeten bewegen nog steeds in het water. Hij kijkt er naar en legt me uit waar het water weg komt waar mijn voeten nu in zitten. Bij het woord ‘riool’ wil ik als in een reflex mijn voeten omhoog halen, maar meneer stelt me gerust. Het water is helder, je kan de bodem zien. Mijn oordopjes liggen inmiddels op mijn schoot, ik heb het gevoel dat meneer niet zomaar weg is.

Hij vertelt me dat hij thuis geen leidingwater meer gebruikt en ik word getrakteerd op een beschrijving van het filtersysteem dat hij in zijn huis geïnstalleerd heeft. Iets met omgekeerde osmose en als hij me vraagt of ik weet wat osmose is, knik ik ja. De theorie die ik ooit met biologie heb geleerd, komt volop bovendrijven. Vervolgens legt hij me haarfijn uit wat er slecht is aan leidingwater en gooit termen, getallen en waarden naar mijn hoofd, waar ik echt niets van begrijp. Hij blijft daar maar naast mij staan op die wiebelige steiger, terwijl ik zit en het water zo nu en dan laat spetteren met mijn voeten. Ik probeer uit te stralen dat ik hem begrijp, terwijl mijn ogen half dichtgeknepen zijn door de felle zon.

Van kraanwater gaat het verhaal naar het water in de plastic flesjes. Meneer geeft me advies over het merk dat wél schoon is en welk merk totaal geen meerwaarde heeft ten opzichte van kraanwater. Daarbij komt nog dat plastic flesjes poreus worden en uiteindelijk ziekmakend kunnen zijn. De details laat ik maar achterwege. Ik hoor alles geduldig aan, ik heb alle tijd.

Zelf blijkt hij artritis te hebben. Schoon water had hem geholpen bij de klachten én hij gaat elke week naar de sportschool. Om zijn soepelheid en lenigheid te bewijzen, buigt hij zich voorover en toont mij dat hij daadwerkelijk met zijn handen de grond kan raken. Ik probeer serieus te blijven en duw de gedachte weg dat de hele situatie toch wel wat komisch aandoet. De steiger wiebelt er op los. Terwijl ik de soepelheid van meneer bewonder en dat ook uitspreek, begin ik me af te vragen waarom hij naar mij toegelopen is. Was dat alleen maar om het zwemmen geweest?

‘En gaat u zwemmen?’ vraag ik maar om het gesprek weer naar het begin te leiden. Hij lacht uitbundig. ‘Nee, vandaag niet’ en hij wenst me een fijne dag toe. ‘Osmosepomp’ zegt hij nog ‘zoek het maar op, osmosepomp.’ Hij draait zich om en loopt weer terug naar de vrouw.

Osmosepomp. Het woord blijft hangen in mijn hoofd en ik zoek het op internet op. Ik duw de oortjes in mijn oren, luister naar de muziek en sluit mijn ogen. Mijn voeten in het water. Ik moet er in gedachten om glimlachen. Dat iemand zo de moeite neemt om naar mij toe te lopen, om me iets te leren over de schoonheid van zuiver water. Leuke ontmoeting.

Rust en water, kan het mooier?

Waterput

Tags

, , , ,

Waterputten, soms zie ik ze als ik een eindje fiets. Als sierstuk in de tuin en soms ook nog echt in gebruik. Ik heb de neiging om af te stappen en over de rand van de put naar beneden te kijken. Ik ben altijd benieuwd naar de diepte, naar de bodem. Is er water of niet? Putten moedigen me ook aan om te roepen en te ontdekken of er een echo is. Zoals je dat vroeger als kind deed: ‘Hoe heet de burgemeester van Wezel….. in de hoop dat je dan in de echo ‘Ezel’ hoort.

Waterputten associeer ik met verhalen uit de Bijbel. Dan denk ik aan Jozef in de put en aan de Samaritaanse vrouw die Jezus ontmoet en leert kennen als ze water haalt. Ik denk ook aan psalm 130: ‘Uit de diepte roep ik tot U’. Putten zijn plekken waar je in gevangen kunt zitten, die diep zijn, waar het donker is en waar de hemel veraf lijkt. Je kunt letterlijk voelen dat je in de put zit. Zeker is het troostvol te weten dat Gods handen altijd onder je zijn, maar voel het maar eens als je leven zo beheerst wordt door verdriet en zorgen. Als je geen weg naar boven ontdekt, geen touw om je aan op te trekken. De hemel op afstand.

Soms zijn de wolken binnen handbereik en leun je tegen een waterput aan. Staar je naar de bodem. Gras kriebelt speels je tenen, bomen staan als vrienden om je heen, de zon op je rug en de warmte voelbaar op je schouders. Dan kan je toch ineens zo verlangen naar water. Wil je roepen en schreeuwen de diepte in. Wil je touwen werpen naar een ieder die vast zit, om ze omhoog te trekken. Zo vaak lukt dat niet.

Ik gooi steentjes naar beneden. Ieder steentje een gebed. Ze klinken na als ze de bodem raken. Ik roep woorden de diepte in. Ik probeer stil te zijn, te luisteren. Mijn hart klopt te hard, ik hoor mijn eigen ademhaling.

Waar ben je dan?

Ik weet het wel. Om ons heen. Onder de bodem van onze diepste waterputten, zijn jouw handen. In de wolken boven mijn hoofd, waar ik zo graag in wegdroom en zacht zing als niemand me hoort. Je bent in het gras, dat me kriebelt en laat lachen, je bent in de bomen die wuiven naar mij.

En toch….

Ik kan zo verlangen naar jouw echo. Dat het hoorbaar is. Dat er meer is dan een bodem en een diepte en een hoogte. Dat het meer is dan water, een plek waar ik mijn steentjes in kan werpen. Dat het meer is dan een plek waarin mijn geluid verdwijnt, mijn wensen, mijn vragen, mijn verhalen. Dat het meer is dan een plek waar ik mijn eigen spiegelbeeld in zie.

Dat jij daar bent. Dat jij daar zit. Dat we samen kunnen lachen om de echo die hoorbaar is.

Je hoeft niet bang te zijn

Tags

, , , ,

‘Je hoeft niet bang te zijn’ kortgeleden werd het gezongen bij ons in de kerk. Een kinderlied. Dat lied raakte omdat er zoveel zorgelijke situaties spelen bij gemeenteleden, spannende behandelingen bij erg jonge mensen. ‘Je hoeft niet bang te zijn…’ en dat zing je in gedachten dan mee, maar wat kan je soms bang zijn.

Het lied haalt hier in huis herinneringen naar boven. Vooral bij Zahra. ‘Hé mama, dat lied zong je altijd voor mij als ik bang was, als ik slapen ging’. Het is inderdaad het lied dat ik veel met Zahra gezongen heb. Staande bij het stapelbed, haar hoofd op het kussen. Samen zingend, terwijl mijn vingers haar voorhoofd streelden. Als gebaar van nabijheid. Dat je mag voelen en weten dat we er zijn, maar vooral dat God bij je is. Ook als je gaat slapen, als jij je ogen sluit.

Het is een lied dat ik zelf vaak zong in gedachten. Om mezelf moed in te zingen als ik bang was. Bang voor de afwijzing, voor de kwetsbaarheid, voor de twijfel en de onzekerheid. Als ik bang was om te falen, als ik niet kon voldoen aan verwachtingen. Als ik bang was voor sommige mensen, als ik bang was voor God. ‘Je hoeft niet bang te zijn….’ het liedje in mijn hoofd. Eindeloos.

‘Je hoeft niet bang te zijn’ en als ik dan aan al die mensenlevens denk die zoveel in mijn gedachten zijn en waar ik voor bid, waar zorg om is…..dan denk ik vaak: ‘Hoe kan je nu niet bang zijn?’ Er is zoveel wat je ineens kan aanvliegen, voor heel even en soms ook lange tijd. Bang zijn, de angst in elke vezel van je lijf voelen, tot aan je tenen toe. Als het stormt in je leven. ‘Leg maar gerust je hand……’ en dan klinkt het zo hoopgevend dat je altijd je hand in die van God mag neerleggen. Hij is er bij.

‘Je hoeft niet bang te zijn..

Wij zongen het in gedachten mee, terwijl het lied in de kerk gezongen werd. Met eigen gedachten en herinneringen. Misschien ook wel met eigen weerstand en dwars door zorg en tranen heen. Soms zing je tegen beter weten in. Soms zwijgt alles in je.

Soms schreeuwt alles in mij. Soms roep ik naar de hemel, omdat ik wél de angst voel. Bij mezelf en zeker ook in andere mensenlevens. Er zijn zoveel dreigende situaties, er worden zomaar mensen neergeschoten, er zijn mensen op de vlucht en ze vinden geen plek om te schuilen. Er worden mensen ziek, er is misbruik, er is angst om niet rond te komen. Er is zoveel wat ons bezig kan houden. In het groot en in het klein.

‘Je hoeft niet bang te zijn…

Oh God, maar soms voel ik dat niet zo.

Ik heb je nodig. Jij de ander en soms ook mij. Om de hand te zijn op het hoofd van de ander. Als een gebaar van nabijheid. Om aan te moedigen. Om de stem te zijn, als de ander niet zingen kan.

Zeg het maar als je bang bent. Dan hoop ik dat er mensen luisteren, zwijgen, naast je gaan staan en als je wilt ook voor je zingen. ‘Je hoeft niet bang te zijn….’ als een gebed naar boven of God als een muur om ons en jouw leven wil zijn.

(Lied: je hoeft niet bang te zijn, Opwekking Kids 40)

De wind waait

Tags

,

De wind waait, ik duw mijn gezicht er tegenaan. De wind omhult me, raakt mijn gedachten aan. Het haalt herinneringen naar boven, heimwee. Wind beroert snaren, hij raakt ze voorzichtig aan. Door de wind merk ik de echo op. Zo’n galm aan geluiden, die me soms ook onzeker maakt.

De wind speelt een spelletje met mij. Hij laat me mijn ogen sluiten, zodat ik voelen kan. De windvlaag langs mijn wangen, een streling, een gebaar. Hij waait langs mijn schouder, als een arm om mij heen. Als ik durf, als ik écht durf te voelen zijn het er soms zelfs twee. Twee armen om mij heen, al is het maar voor even. De wind gaat zijn eigen weg. Als ik denk dat ik hem grijpen kan, is hij verdwenen, waait hij van mij weg.

Ik wil me koesteren in de wind, in de adem die ik voel. Ik wil lachen in de wind, hardop zingen. Ik wil mijn tranen laten dwarrelen, laten meevoeren in zijn handen. Als de wind blaast, wil ik loslaten en me laten opvangen, maar ik weet niet of ik de wind vertrouwen kan. Onvoorspelbaar als hij aanvoelt. Dan weer hier, dan weer daar en soms is het windstil.

Ik wil de wind vangen. Wind door mijn haren, wind in mijn rug, wind die mijn hoofd soms naar beneden drukt. Ik wil de wind trotseren, ik duw mijn gezicht er tegenaan.

De wind daagt me uit. Ik voel me wankel, uit balans. Ik voel me klein, zo nietig door zijn kracht. Hij raast en raast, hij laat de wereld dansen en ik sta stil. Ik luister naar zijn gefluister, ik hoor het wel. Hij wil dat ik meebeweeg, in het ritme, in de deining en dat durf ik niet zo goed. Ik wil het wel, ik wil het wél, maar iets remt me af om mee te doen met de wind. In zijn dans, in zijn spel, in zijn gevecht. Ik durf niet goed.

Als ik maar een briesje vast mag houden. Een briesje moed en vertrouwen. Als ik dat maar mag bewaren, mag voelen heel diep binnenin. Dat het me laat dansen, al zijn het kleine pasjes. Dat het me laat zingen, al is het maar heel zacht. Dat het me vertrouwen geeft, zelfs als het wankel voelt.

De wind waait. Waai ik mee?

Compliment stelen

Tags

,

‘Wat ben je toch mooi!’ ik zei het ineens in de stilte die er heerste in de huiskamer. Iris zat in het hoekje van de bank naar de tv te kijken, mijn man zat achter de laptop en ik zat in de stoel te mijmeren. Ik staarde wat naar buiten, volgde de buurtbewoners die voorbij wandelden. Ik keek naar de bomen die alsmaar groener werden en naar de rododendron van de overburen waar felle roze bloemen uitkwamen. Ik keek naar mijn dochter. Mijn mooie lieve dochter. Ik keek haar een tijdje zo aan. Spontaan zei ik: ‘Wat ben je toch mooi!’

Iris had geen aandacht meer voor de televisie. Er verscheen een glimlach op haar gezicht en ze keek me aan. Voor ze een reactie kon geven, hoorden we plotseling manlief zeggen: ‘Dank je wel.’ Daar moesten we natuurlijk om lachen. Iris sprak echter quasi verontwaardigd uit: ‘Hé pap, je steelt mijn compliment.’

‘Je steelt mijn compliment’ zo’n zin blijft hangen in mijn hoofd. Ik vond het leuk dat Iris zo voor zichzelf opkwam. Terwijl ik de schijnwerper op haar gericht had, kroop manlief ineens het toneel op. Tuurlijk was dat plagerig bedoeld, maar Iris liet zich niet zomaar wegduwen. Ze wees hem er fijntjes op dat hij haar plekje inpikte. Haar compliment, haar momentje van gezien worden. Mijn schijnwerper op haar!

Complimenten stelen. Met de eer strijken, terwijl het niet terecht is. Maar misschien stelen we ook complimenten bij de ander weg als we ze niet uitdelen. Onbewust gebeurt dat zomaar. Dat je kritiek hebt, dat er opmerkingen vallen en aanmerkingen. Dat je negatieve dingen zegt over iets waar anderen hun best op hebben gedaan. Dat je de zwarte randen benadrukt en niet ziet dat iemand er op zijn of haar manier energie ingestoken heeft. Soms is het zo makkelijk om commentaar te leveren en vergeten we een schouderklopje te geven. Soms geven we géén complimenten, omdat het zo ‘gewoon’ wordt gevonden dat de ander dit doet, dat de ander zo is.

Van complimenten groei je. Volgens mij vindt ieder mens het fijn om gewaardeerd te worden, om een compliment te krijgen. Gewoon zo nu en dan. Ook al is het ook wel eens lastig om een compliment aan te nemen, te ontvangen. Iris wilde mijn compliment met beide handen aannemen. Ze straalde, ze glimlachte van oor tot oor. Ze wilde al ‘dank je wel zeggen’ totdat…

Deze week stond ik bij het rek met plantenbollen en bloemenzaden. Ik zag een doosje hangen met bolletjes voor Irissen. Die kocht ik. Ik stopte ze in de grond. ‘Kijk Iris!’ en ze keek op het doosje. Wederom een glimlach. Bloemen in de tuin, haar naamdragers. Mooie Iris, mooie Irissen. Niemand hier in huis kan dát compliment stelen!

Vuisten

Tags

, ,

Hoe maak jij een vuist?

Ik stelde deze vraag aan de kinderen. De ene maakte meteen, tot mijn grote verrassing, een hele stevige vuist. Ze sprong in de vechtstand en sloeg hardhandig in de lucht. De ander keek me vragend aan en toonde vervolgens nonchalant een vuist. Drie kinderen maakten een vuist met de duim stevig om de vingers heen, één van de kinderen maakte een vuist net als ik. De duim lag veilig verborgen onder de vingers.

Veilig is dat echter niet. Iemand wees me daar op. Als je zo je vuisten houdt en je wilt van je afslaan, dan doe je jezelf pijn. In het gesprek werden de vuisten van de ander aan mij getoond. De duim gebogen over de vingers. Ik had daar zelf nooit over nagedacht. Ik moest het voor me zien, om uiteindelijk zelf die vuisten te kunnen maken. Onwennig was dat. Gewoontegetrouw lagen mijn duimen altijd weggedoken, omklemd door mijn vingers.

Gisteren had ik de laatste therapie bij het revalidatiecentrum. De afgelopen weken zijn we bezig geweest met grenzen stellen, ruimte gunnen en geven aan jezelf. Het voelen van je lichaam, het opmerken van signalen en dus bijtijds rust nemen. Wat voel je? Hoe sta je erbij? Eén van de dingen waar ik me steeds weer van bewust werd, was dat ik in spannende situaties mijn handen gebald heb tot vuisten. Is het gewoonte, of zit er ook iets in van me groot willen houden? Zit er verdriet in, teleurstelling en zou het zelfs zo kunnen zijn dat er boosheid in schuilt?

We spraken over mijn vuisten. De therapeut en ik. Toen mocht ik bokshandschoenen aantrekken. Ik mocht slaan. Dat deed ik. Het voelde ongemakkelijk. Hoewel bokshandschoenen je uitnodigen om flink los te gaan, hield ik me in. Ik hield mijn adem in, ik voelde aan alles dat ik het spannend vond. Totdat ze vroeg om niet na te denken. Ik mocht tegen haar (beschermde) handen aanslaan en warempel het lukte me om haar weg te duwen. Het bleef vooral geremd. Bang om haar pijn te doen maar ook dat hardnekkige gevoel in mijn hoofd dat het niet hoort. Dat het niet goed is wat ik doe.

Hoe maak jij een vuist?

Als je het me nu zou vragen, dan weet ik dat ik mijn duim stevig op mijn vingers moet leggen. Dan kan ik me verweren, dan doe ik mezelf minder pijn. Het liefst loop ik niet met vuisten rond. Het liefst wil ik gewoon mijn handen kunnen ontspannen. Los kunnen laten wat ik daar zo zorgvuldig in bewaar en waar ik uiteindelijk alleen mezelf mee kwets. Was dat ook niet één van de dingen waar ik de afgelopen periode zo bij stilgezet ben? Zorgen voor mezelf. Tijd nemen, rust, lief zijn voor mezelf. In het verdriet, in mijn moeheid, in het wennen aan een ander ritme, in mijn teleurstelling, in mijn boosheid. Ruimte geven voor de gevoelens die er zijn, niet weglachen, niet wegwuiven. Niet omgeven met alles waar ik dankbaar voor ben, maar dat gevoel ook eerlijk onder ogen zien.

De revalidatie is gestopt. Ik heb goede voornemens om dat wat ik als handvatten meegekregen heb tijdens de revalidatie ook te gebruiken in het hier en nu. Ik ben mezelf tegengekomen, ik moest soms goed naar binnen kijken. Op de valreep heb ik zelfs even gebokst! Misschien is het goed om die handschoen vaker op te pakken. Om iets te doen waar ik niet vertrouwd mee ben.

Net als die vuist. Ik had geen idee hoe ik me écht moest verweren. Ik had een ander nodig om me dat te laten zien. Mijn duimen op mijn vingers. Een nieuwe werkelijkheid.

Hoe maak jij een vuist?

Een jaar geleden

Tags

,

Vandaag is het een jaar geleden dat ik corona kreeg. Stilgezet. Niet een paar dagen of weken, nee we zijn inmiddels een jaar verder. Ik ben aan het opbouwen met werken. In de nasleep van corona blijf ik echter klachten houden. Dat maakt dat ik niet meer snel als een vlinder van hot naar her kan fladderen. Dat ik maar alles kan oppakken en doen. Nee, ik lijk nu meer op een rupsje die met een zekere regelmaat en ritme vooruit komt.

Vandaag is het een jaar geleden. In mijn gedachten sta ik daar bij stil. Ik kijk er niet graag op terug. Althans niet op de angst en het verdriet dat er ineens was. Voor de zorg die er was voor mij. Dat voelde ongemakkelijk. Liever zorg ik. Liever was ik aan het zorgen voor mijn gezin, voor de bewoners, voor de collega’s. Alles werd uit handen genomen en daar zat ik dan thuis. Ja tuurlijk ben je waardevol als mens, maar dat vond ik naar mezelf toe niet altijd zo. Alles draaide door. Mijn werk, de fractie….zonder mij. Dat vloog me soms zo aan. Hoe waardevol was ik nog?

Ik wilde als een vlinder bezig zijn. Ik wilde fladderen, van bloem naar bloem, van activiteit naar activiteit. Van gesprek naar gesprek, van fietsen hier naar fietsen daar en desnoods nog een keer. Ik moet minder fladderen en meer de tijd nemen om vooruit te komen. Langzaam, gestructureerd en vaker even in mijn cocon kruipen. Voor rust en eigen ruimte, mijn eigen stilte en mijn eigen tijd. Mijn ‘bubbel’ zoals we het hier thuis noemen. ‘Mag ik je wat vragen, of zit je in je eigen bubbel?’ wordt er dan gevraagd. Inmiddels zit er een luikje in mijn bubbel, die ik dan toch even open. ‘Kom maar op met je vraag!’

Vandaag is het een jaar geleden, het is een gedachte in mijn hoofd. Los van alle momenten van verdriet en verlies daarin, is het ook vooruit kijken. Werk oppakken, merken dat het energie kost, maar ook energie geeft. Het is fijn om daar weer te zijn, te mogen meedenken, weer wat oppakken. Het is fijn om collega’s weer te zien en te spreken, te voelen dat ze je gemist hebben. Dat is wederzijds.

Tijdens de revalidatie heb ik veel mogen leren, vooral ook over mezelf. Dat kwam soms erg dichtbij. Termen als ‘lat te hoog leggen’, ‘voor jezelf zorgen en opkomen’, ‘grenzen aangeven’ ‘ruimte voor jezelf pakken’ kwamen veelvuldig voorbij. De conditie werd getraind, maar ik heb vooral van binnenuit geleerd om meer bewuster om te gaan met mezelf. Om te voelen waar de grenzen zijn, om te voelen dat ik heus wel een mooie vlinder ben. Misschien niet meer zo fladderend, van bloem naar bloem. Beetje vleugellam misschien, maar in de kern ben ik het wel. Ook als ik me een rupsje voel.

(Foto: Marin Scheringa)

Vandaag is het tweede paasdag. Buiten sneeuwt het en het volgende moment schijnt de zon weer. Mooie afspiegeling van het afgelopen jaar. Want dwars door alles heen, heeft het me ook veel geleerd en laten zien. Ben ik dankbaar dat ik er ben en er mag zijn. Ben ik blij met momenten van waarde, van zonnestralen op het glas. Van ommetjes en volop genieten van de schepping. Soms liep iemand mee. Mooie gesprekken in de buitenlucht. Momenten van ervaren dat mensen meeleven, aandacht hebben voor je. Dat mensen voor je bidden, je raken met mooie kaartjes, berichten op de app. Ik ben mezelf tegengekomen. Stilgezet en doorgelopen. Stap voor stap ontdekkend wat lukt en wat past bij het ritme van nu. Als een rupsje…

Zo, vandaag, schiet het door mijn hoofd. Een gedachte. Een blog, dat ook. Voor mezelf, een moment om even te mijmeren. Terugkijkend, maar vooral vooruitkijkend fladderen mijn gedachten door mijn hoofd.

Een vlinder blijf ik wel.

Lopen met je ogen dicht.

Tags

, , ,

Met mijn ogen dicht. Lopen met mijn ogen dicht. Niet over een weg die bekend is, niet langs wanden waar ik houvast heb. Lopen over een smalle bank, die in de ruimte staat. Zonder houvast en met mijn ogen dicht.

Ik durf het niet.

Met open ogen durf ik wel. Heen en weer, terwijl zij toekijkt. Dat is ongemakkelijk. ‘Wat denkt ze? Wat ziet ze?’ Ik heb een gaatje in de hak van mijn laars. In de stilte die er is, hoor ik steentjes rammelen, die de weg van de binnenkant van mijn hak hebben gevonden. Ik heb nog niet het geduld gehad om die steentjes eruit te prutsen. Dus wordt de stilte opgevuld met het ritmische dansen van de steentjes in mijn hak. Dat leidt mijn aandacht daarheen, geeft een glimlach en het gevoel dat ik moet uitleggen wat er onder mijn zolen gaande is. Dat doe ik dan ook maar.

Ik durf misschien wel niet. Maar zij moedigt aan. Het gaat niet om de hak, om de geluiden van de kiezelsteentjes. Het gaat om wat ik voel. Dus loop ik dapper heen en terug. Ik maak niet sierlijk een mooie draai aan het uiteinde van de bank, besef ik me. Ik plof met een lompe sprong op de vloer om vervolgens daadkrachtig de bank op te stappen. Ik loop heen en weer.

‘Wat voel je?’ ‘Ik voel niets’ en terwijl ik dat zeg, vraag ik me af of ik daar de focus wel op heb gelegd. Ik ben bezig om goed te lopen, om mijn evenwicht te houden en ik blijf het getik van de kiezeltjes horen. ‘Volgende keer doe ik mijn sportschoenen aan’ bedenk ik me ‘of ik moet toch de moeite nemen om uit dat kleine gaatje in mijn hak de kiezels weg te laten glijden’. Mijn gedachten zijn snel, maar niet naar waar ik hoor te zijn. Ik moet namelijk voelen.

Naast de bank lopen, gaat een stuk makkelijker. Ik hoef niet op mijn evenwicht te letten. Ik blijf me bekeken voelen, maar ik laat het maar los. Dan voel ik tóch. Ik voel verschil. Minder gespannen. Dan weer op de bank. Ik laat de steentjes voor wat ze zijn, ze versmelten met de geluiden die ik hoor op de gang. Geluiden, die me willen afleiden, maar ik probeer de focus te houden op ‘voelen’. Dan merk ik heus wel dat ik de spieren in mijn benen aanspan, dat mijn ademhaling hoger is, dat ik de spanning in mijn schouder voel.

Ik voel.

‘Stap nu maar op de bank en loop met je ogen dicht.’

Dat voel ik ook. Diep van binnen. Ik voel de angst, ik wil niet lopen met mijn ogen dicht over een bank die zo smal is. Ik kijk haar aan. Ze kijkt terug, onbewogen. Ik kijk naar de bank, ik kijk wederom naar haar. Ze zegt niets. Ze zegt niet dat ik haar hand mag vasthouden, dat ze me opvangt als ik val. Ze stelt me niet gerust door te zeggen dat me niet zoveel kan gebeuren, de bank is immers niet zo hoog. Ik adem in, ik adem uit. Ik kijk haar nog een keer aan, maar ze zwijgt en kijkt alleen maar terug. In de stilte die er is moedigt niets me aan. Dus praat ik mezelf moed in. ‘Oké’ zeg ik hardop en ik doe een poging om dit heel flink te laten klinken, mijn vuisten gebald. Ik sluit mijn ogen, ik adem diep in en als ik de stap op de bank wil zetten, doorbreekt ze het zwijgen. Ik mag stoppen.

Adem uit.

Ik hoef niet te lopen met mijn ogen dicht. Ze spiegelt mijn houding, mijn lichaamstaal. In alles laat ik blijken dat ik niet durf. Ze zag dat ik in haar ogen zocht naar houvast en de bevestiging bij haar dat ze me niet zou laten vallen. Ze zag de angst en de handen die langzaam vuisten werden. De stap die ik zette op de bank, dat ik het toch maar ‘braaf’ deed. Waarom? Waarom ga je lopen op een bank met je ogen dicht, terwijl alles in je zegt: ‘Ik wil dit niet!’

Ik herken zo goed mijn spiegelbeeld.

Ik ben opgelucht dat ik niet hoef. Niet hoef te doen, niet hoef te voldoen. Het is goed zoals het is. Ik hoop dat ik het meer en meer mag gaan voelen in het ritme van mijn ademhaling, in de schouders, in de handen die zich kunnen ontspannen. Dat ik luister naar wat mijn hart al kloppend aan mij duidelijk maakt.

Dat ik het hardop uit kan spreken, desnoods met mijn ogen dicht.

‘Ik ben er wel’

Tags

, ,

‘Ik ben er wel’ als een stem dichtbij, maar in nabijheid voelt het soms veraf. In het weten een zekerheid, in mijn hart wankelt het wel eens. Wiebelige steiger aan de waterkant. Waar ik de woorden laat spreken en de gedachten laat wegdrijven op het water. Koppie onder laat gaan, zoals de meerkoet voor mij doet. Hij komt weer boven en mijn gedachten zinken. Verdwijnen naar de bodem en wie vangt ze op?

Ik zie je wel. Ik zie je in de bomen aan de overkant. Ze lijken te zwaaien en ik onderdruk de neiging om terug te zwaaien. Ik groet ze in gedachten en ik bewonder de horizon. Voor zover ik er naar kan kijken, want de felle zon schijnt in mijn gezicht. Ik sluit mijn ogen. Ik voel me moe, ik zou wel kunnen slapen, zo hier op deze steiger. Met gesloten ogen zie ik je niet.

‘Ik ben er wel’ en je roept me wakker in de ganzen die voorbij vliegen. Ik staar ze na in hun vlucht. Voorbij, ze vliegen voorbij. Ik zou ze mijn dromen willen meegeven, zodat ze sneller de hemel aanraken. Ze blijven hier, onaangeroerd. Ik weet niet zo goed wat ik er mee moet. Dat wil ik allemaal wel vragen, ik heb eindeloos veel vragen. Herhaling van vragen, van bevestiging zoeken en dan mezelf afvragen of je niet moe van me wordt.

‘Ik ben er wel’ het is de stem in mijn gedachten. De stem die me laat kijken naar de wolken, naar de bloemen in de berm. De regenworm, ja ook dat. Ik geniet er van. Als ik je ergens in zie, is het in alles wat er om me heen is. Ik zie het in de ogen, in de handen, in de schouders om me heen. Ik zie het in de handgeschreven krabbels en de berichten in de app. Ik zie je, ja ik zie je wel. In de wereld voor me, in dit schilderij, zie ik de penseelstreken en ik weet het zeker: dat ben jij.

Voor mij. Onder mij. Boven mij. Naast mij?

Wiebelige steiger. Met elke voetstap van wandelaars, wiebelt de steiger heen en weer. Ik trek mijn benen naar me toe, mijn kin op mijn knieën. Hoopje mens in de wereld van hier. Hoopje mens met haar lach en haar tranen. Met de stralen en de stromen, met de schouders eronder en de knieën gebogen.

Kom je naast me zitten? Mijn hoofd op je schouder, want ik ben moe. Moe van alles, moe van alle vragen, van alle gebeden. Moe van al dat turen, van zoeken in de zon.

‘Ik ben er wel’ stem in mijn gedachten. Ik sta op, loop de steiger af. Weg van het water. Ik ga naar huis. Ga je mee?