2020

Tags

, ,

Naast mijn bed staat een doos. Een doos vol kaartjes en briefjes die ik kreeg toen ik thuis was door corona. Inmiddels komen er steeds meer aandenken in aan een periode dat ik aan het herstellen ben. De mail waarin bevestigd wordt dat ik positief getest ben, de verslagen van artsen en voortgangsevaluaties van het revalidatiecentrum. De wekelijkse programma’s die ik volg in het revalidatiecentrum. Een bingokaart, als aandenken aan mijn periode in quarantaine. Vier kinderen op gepaste afstand van mijn bed. Aron die zich verveelde, had prijsjes uitgezocht in de winkel. Ik riep vanuit mijn bed de nummers op. Dat was een mooie herinnering aan een minder leuke tijd.

Er zijn ook herinneringen die er niet in passen. De angst, de tranen, de eenzaamheid die er was als ik ’s nachts alleen in mijn bed lag. Ziek voelend, benauwd. De zorg voor mijn gezin, de kinderen. Het horen huilen van je kinderen, niet kunnen knuffelen. Geen nabijheid. Op afstand moeten blijven terwijl je niets liever wil dan troosten. De onmacht naar mensen die in gedachten zo dichtbij je zijn, maar waar je niet naar toe kan. Ook niet als er zoveel verdriet in hun leven is. Losgetrokken uit mijn werk, je collega’s niet kunnen helpen. Al die dromen, zoveel dromen. Ze zitten niet in die doos, maar ze zijn er wel.

2020 heeft vooral de afdruk van corona achtergelaten. Of ik wil of niet. Het liefst duw ik dat weg. Er was zoveel meer. Het afronden van mijn opleiding, zo trots daarop! Ik heb hele lijstjes in mijn hoofd van zegeningen, voor ieder van de kinderen, voor mijn man, voor mezelf, voor ons als gezin. Lijstjes vol waar ik God voor dank. Dat is er zeker. Het liefst denk ik daaraan. Over mijn schouder achterom kijkend, zie ik mooie momenten, maar er ligt wel een sluier van corona overheen.

De nasleep van corona is niet fijn. Het is teleurstellend dat het allemaal zo lang duurt. Ik heb veel op de steiger aan de waterkant gezeten. Met mijn voeten gestampt in het water. Waar ik alsmaar hoopte dat het herstel sneller zou gaan, liep het anders. Zit ik in een revalidatietraject. Waar ik mezelf voorgenomen had om na mijn studie meer tijd in anderen te steken, wordt me door de therapeuten gezegd dat ik nu voor mezelf moet zorgen. Ineens moet ik nadenken voor ik ergens ja op zeg. Als het mezelf zoveel energie kost….

Het heeft me ook tijd gegeven. Tijd om te piekeren, te huilen. Tijd om mijn gezin volop mee te maken. Het heeft me tijd gegeven om elke verandering in de seizoenen mee te maken. Ik heb nog nooit zoveel natuur opgesnoven. Zo naar boven gestaard, naar mooie bomen, hoge bomen, bomen midden op mijn pad. Ik ben nog nooit zoveel afgestapt van mijn fiets. Niet alleen omdat ik te moe was om verder te fietsen, maar ook om te genieten. Van stilte, van vogels, van bloemen. Het gaf me tijd om meer dan ooit in gesprek te zijn met God. Met alle vragen en twijfels, met mijn verdriet. Eindeloos kunnen bidden, voor een ieder die in mijn gedachten een plekje had.

Die doos naast mijn bed, daar bewaar ik tastbare herinneringen in aan een periode in 2020 die voor mij persoonlijk veel door corona en de nasleep daarvan beheerst werd. Die periode sluit ik vandaag niet af, dat gaat door in 2021. Een nieuwe therapiekaart voor volgende week ligt al klaar. Hoe het zal gaan in 2021 weet ik niet. Ik hoop dat ik een strik om die doos kan gaan doen en dat ik hem naast mijn bed kan weghalen. Opgeruimd kan worden, achter de schotten op zolder. Als een herinnering.

Ik wil iedereen bedanken die op welke manier dan ook in het afgelopen jaar met ons heeft meegeleefd. Die er was voor ons, voor mij. Dat heeft me heel erg geraakt. Ik ben me er bewust van dat er zoveel andere moeilijke persoonlijke situaties zijn. Iedereen heeft zo zijn eigen herinneringen aan 2020 en zijn eigen zorgen die hij of zij meedraagt het nieuwe jaar in. Mijn persoonlijke verhaal verbleekt bij zoveel verdriet en gemis om mij heen. Sterkte voor iedereen in eigen omstandigheden.

Ik wens jullie toe dat je zo nu en dan van je fiets afstapt, je ogen sluit en de natuur opsnuift. Dat ga ik zéker niet loslaten en opruimen. Zo nu en dan en misschien ook heel vaak, even stil staan.

Ik wens jullie allemaal Gods zegen toe voor 2021.

Briefje 20

Tags

, , , , , ,

‘We houden hoe dan ook toch wel van je’ las ik op briefje nummer 20. Twee kerstboompjes staan hier, aangeboden door mijn team. Vanaf 1 december tot aan Kerst mag ik elke avond een briefje uit de boom halen en lezen. Collega’s en een paar bewoners en hun familie hebben daarop een persoonlijke tekst geschreven voor mij. Soms op rijm, soms kort, soms lang en soms met een leuke mop erin. Het tovert een glimlach op mijn gezicht, maar ik vind het vooral erg ontroerend. Elk briefje is zó lief!

Op dag 20 wenste iemand me toe dat ik in 2021 weer meer energie zou krijgen om op te pakken wat er voor mij toe doet. Dat ik het gevoel mag krijgen dat ik weer mee doe, waarbij 80% soms ook voldoende is. ‘We houden hoe dan ook toch wel van je’ schreef ze erbij. Dat raakte me zo.

In het revalidatietraject waar ik nu middenin zit, word ik ook gewezen op het stellen van grenzen. Ik moet leren luisteren naar mijn lichaam. Dat vind ik lastig. Liever fiets ik zo hard dat het tellertje van de hometrainer op een voor mij goed resultaat staat, dan dat ik langzamer fiets omdat ik mijn benen voel. De trainer legt dus nu een handdoek over de teller, dan moet ik wel luisteren naar mijn lichaam. Ik doe braaf de oefeningen bij de fysiotherapeut, ook al kan ik daarna dagen niet lachen van de spierpijn in mijn buik. Dat moet dus ook niet. Ik mag aangeven als iets te zwaar is. Ik stel de fysiotherapeut niet teleur als ik dat doe. Ik mag voor mezelf opkomen en voor mezelf zorgen. Dat is omdenken voor me. Ik moet ineens de grenzen dichter naar mezelf toetrekken.

Grenzen aangeven, het moet wel. Ik heb dus alle activiteiten waar ik druk mee was neergelegd. Alles wordt overgenomen. Dat is geruststellend en tegelijk ook confronterend. Alles draait door, ook zonder mij. Dat zijn de dipjes in mijn gedachten. Dat gevoel van op afstand staan, het geeft zomaar een gevoel dat je minder waardevol bent. Dat zou ik bij een ander nooit denken, maar nu het mezelf betreft sluipt het er wel eens in. Ik weet heus wel dat dat niet klopt, maar moe zijn, al zo lang thuis zitten…

‘We houden hoe dan ook toch wel van je.’ Soms is dat zo fijn om te weten. Dat mensen niet van je houden om wat je allemaal doet, maar gewoon om wie je bent. Hoe dan ook van je houden, ook als je voor je gevoel bent stilgezet. Druk bent met revalideren en herstellen, ter ontspanning schildert, boeken luistert en potten vol jam maakt om je gedachten tot rust te brengen en voor je gevoel zinvol bezig te zijn.

Geliefd, hoe dan ook. Ik zeg het de ander vaak te weinig, ik laat het de ander ook niet altijd merken. Soms raken mensen uit beeld, soms draait alles maar door en gaat de tijd voorbij. Soms word je je er weer bewust van. Soms is het zo fijn om het te horen, om het te lezen.

Ik gun iedereen zo’n boodschap. Ik gun iedereen een briefje nummer 20.

Trampoline

Tags

, , , , ,

‘Je mag over de trampoline gaan lopen’ zegt de fysiotherapeut. ‘Ik wil zien hoe je dat doet’ voegt ze er aan toe. Waarschijnlijk ziet ze mijn vragende blik. Een trampoline moedigt aan om erop te springen, niet om er overheen te lopen.

Sinds kort ben ik begonnen met een aantal dagdelen per week revalideren bij het revalidatiecentrum. Nieuwe indrukken, kennismaken, aftasten welke behandelingen en trainingen voor mij goed zijn om bij te dragen aan herstel. Het is intensief.

Ik stap op de trampoline en loop terwijl de fysiotherapeut stilzwijgend mij observeert. Dat vind ik ongemakkelijk, maar ik loop braaf heen en weer. Dat voelt uiteraard wiebelig en het loopt niet fijn. ‘Je armen zijn niet ontspannen’ merkt ze op. Dat klopt. Dat voel ik zelf ook. ‘Ik mis de houvast, ik kan me nergens vasthouden!’ reageer ik. ‘Waar ben je bang voor?’ vraagt ze. ‘Wat kan je gebeuren?’ en de vraag blijft hangen in mijn hoofd.

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Ik heb meer trampolines in mijn leven. Ik denk dat iedereen dat wel herkent. Van die momenten dat je grip wilt houden, dat je zekerheid wil, dat je het gevoel heb dat je moet loslaten, maar dat niet durft. Ik hou zo graag zelf de touwtjes in handen, ik wil controle houden. Ik wil desnoods alle ballen hoog houden, als me dat houvast geeft. Ik wil zorgen en ik vind het lastig om voor me te laten zorgen. Dat voelt wiebelig en wankel en onwennig.

Ik leg de lat te hoog. Ik hoor het in de korte tijd dat ik revalideer, steeds weer. Ik hoef het niet perfect te doen, ik hoef me niet flinker voor te doen dan ik ben. Ik mag voor mezelf opkomen en mijn grenzen aangeven. Ik hoef niet te denken dat het altijd erger kan, dat ik maar stug door moet gaan en niet moet zeuren. Ik mag desnoods heel hard huilen, dan verlies je niet de houvast, dan geef je toe aan wat je voelt. Ik weet het, maar ik vind het lastig.

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

‘Ik kan vallen” zeg ik. De fysiotherapeut kijkt me vragend aan. ‘En? Je valt op een trampoline’ als ze het zo zegt, kan ik er wel om glimlachen. Op een trampoline val je zacht, duik je even weg in de diepte om daarna weer terug te veren. Tot stilstand te komen, rust. Hoe beschamend zou het écht zijn geweest als ik niet staande was gebleven? Hoe ontspannend was het geweest als ik mijn drang naar houvast gewoon losgelaten had? Dan was ik misschien gaan liggen, maar hoe erg was dat?

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Het was een wijs lesje. Revalideren levert iets op, hoe intensief het ook is. Ik hoop dat het me gaat helpen, dat ik weer kan werken en wat actiever kan zijn. Dat ik iets meer Lydia kan zijn en misschien ook wel anders. Dat ik onbevangen kan lopen over een trampoline. Sterker nog, dat ik mijn baldadige kant ook maar gewoon durf te tonen. Dat ik me niet braaf aan de opdracht hou, maar gewoon ga springen. Springen op een trampoline, want dat wil je dan toch?

Herkenbaar?

Waar ben je bang voor? Wat kan je gebeuren?

Lieve jij

Tags

, , ,

Ik zou mijn armen om je heen willen slaan, ik zou je dicht tegen me aan willen houden. Ik zou je willen wiegen, gewoon stilzwijgend de tijd voorbij laten gaan. En dat er dan geen muren zijn, geen afstand. Dat jij er gewoon mag zijn. Met je lege handen. Met je boosheid en je tranen en dat je dan kan schreeuwen. Tot aan de hemel toe.

Kom maar hier.

Ik zou zwijgen, je niet overstemmen met mijn woorden. Dat het gewoon een gevoel mag zijn. Een gevoel dat alleen jij kan tekenen en schilderen in vele kleuren. Soms zo bruin, zo blauw, zo geel en soms zo onbeduidend vaag. Flarden in de tijd, een schets van werkelijkheid.

Ik zou met je willen luisteren naar de melodie van zoveel klanken, naar het ritme en het refrein. Dat de muziek ons meevoert naar de hoeken waar het behang een beetje loslaat, waar de groeven te zien zijn en de scheuren in de muur. Dat ik met je mee beweeg en je niet los zal laten. Dat de aanraking van snaren een nieuw couplet kan zijn.

Kom maar hier.

Ik loop het liefste naast je. Jij op het pad, ik in de berm. En ergens maakt het ook niet uit. Dat de wolken ons omringen en de wind ons adem geeft. Dat je me laat zien waar de afdrukken zijn, de sporen in het zand. Waar je de bladeren opving met je handen, waar de boom een rustplek was. Takken links en rechts, vertrouwelijk om je heen.

Ik wil je vasthouden, maar soms durf ik niet zo goed. Zo kwetsbaar, zo klein. Op afstand kijk je toe. In je ogen zie ik een stukje van wie ik ben. Zo ver van mij vandaan, maar eigenlijk zo dichtbij.

In gedachten. Kom maar hier.

Lieve jij.

Biotoop en hoekje

Tags

, , ,

‘Blijf zoveel mogelijk in je eigen biotoop’ is het advies van minister Grapperhaus aan Nederland om zo te voorkomen dat er meer besmettingen komen. Het doet me denken aan dat kinderliedje.

‘Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht….’ en dan? Wat volgt er dan? ‘….hm, hm hm……jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn.’ Ik kom er niet op en vraag het aan Marin. Marin kijkt me echter meewarig aan, terwijl ik haar naar de voetbal breng. Ik vond het een heel goed idee om in mijn eigen biotoop te blijven, mijn eigen bubbel, maar er moest toch iemand meefietsen.

Marin kent dit lied totaal niet.

Ik zal het ze inderdaad niet geleerd hebben. Ik associeerde dit lied altijd met straf. Dat komt door dat kleine hoekje waar jij en ik in dit lied zitten. Ik zie een meisje zitten, benen opgetrokken, hoofd op de knieën. In vond dat altijd wat triest en eenzaam aanvoelen. Als jij in jouw kleine hoekje zit, schuif ik liever naar je toe. Dan praten we samen, misschien wel honderduit. Lachen we, huilen we en als het nodig is dan raak ik je schouder even troostend aan.

We zitten echter in een hoekje. In dit liedje, in de wereld van vandaag. Dat is dus die eigen biotoop. ‘Jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’. De anderhalvemetersamenleving, de beperkingen in het ontmoeten van elkaar. Ik mag graag even verdwijnen in mijn eigen bubbel, me wikkelen en verschuilen in mijn eigen gedachten en dromen. Voor even, niet zo lang. Ik mag ook graag de toenadering zoeken, het gesprek, de arm om de schouder. Kom maar hier!

Internet beantwoordt mijn vraag wat de tussenregel is: ‘…en Hij wenst dat ieder tot Zijn ere schijn’…..’ oh ja, het daagt weer. Ik dacht altijd dat het ‘ereschijn’ was en begreep niet goed wat het was. Er zijn ook meer coupletten, ze eindigen allemaal met dat kleine hoekje. Het hoekje wat nu in mij blijft rondzingen bij het horen van de term ‘biotoop’.

Schuilen in je eigen biotoop. Vanmorgen had ik daar zoveel zin in, maar ik fietste met Marin mee. De zon scheen, de regendruppels lagen glinsterend op de bladeren en het gras. Ik snoof de lucht van naaldbomen op en een eekhoorntje verdween in de struiken. Hoe mooi is dat! Ik werd er vrolijk van.

‘….jij in jouw klein hoekje….’

We kunnen elkaar wel zonnestralen sturen, we kunnen druppels laten glinsteren op afstand. We kunnen een geur verspreiden van aandacht en omzien naar elkaar en berichten sturen, het gesprek aangaan. Ook al is dat op afstand. Een kaarsje zijn, een lichtje zijn in een rare wereld waar we nu in leven.

Jij in jouw kleine hoekje en ik in ’t mijn.

Dat dus. En nu kruip ik weer even lekker weg in mijn eigen biotoop.

(Liedtekst is van Susan B. Warner, vertaald door A. Schroten en H. van ’t Veld en de muziek is van E. O. Excell)

Afscheid van de zomer

Tags

, , , , , , , ,

Lente, zomer, herfst…seizoenen gaan en komen. De afgelopen periode was ik me daar erg bewust van. Ik zat er letterlijk met mijn neus bovenop. Een dagelijkse ademteug, inhalering van wind en lucht. Van volop geuren opsnuiven. Van bloesem, gemaaid gras en lavendel. In de stilte bij het water, mijn vaste stekkie, zag ik de bloemen in bloei komen. Ik zag de jonge vogels zwemmend in het water, ik zag de bomen volop in het blad.

Deze week zat ik er weer, op het steigertje, mijn voeten in het water. Het voelde koud. De bramen die nog aan de struik zaten, zagen er wat zielig uit. De bomen lieten zich wiegen in de wind. Nog even en de groene bladeren verdwijnen en dan genieten we van herfsttinten, wat ook prachtig is.

Het water te koud, de wind te guur, de regen om je heen. Ik nam met een beetje somber gevoel afscheid van de zomer. Van het plekje bij het water, waar ik zo heerlijk de rust kon voelen. Waar de schepping zo te voelen is, in de wind en in het water, in de meerkoeten en de ganzen, in de wolken en de zon op mijn gezicht. Waar de rietpluimen mij zien zitten en ze zwaaien voortdurend naar mij. ‘Speciaal voor mij’ denk ik stiekem, want ik zit daar toch alleen.

Elk seizoen heeft mooie beelden, maar hier aan het water zitten is fijn. Hier kan ik mijn gedachten ordenen en gewoon maar laten gaan. Hier kan ik eindeloos bidden voor iedereen die gebed nodig heeft, dank ik, klaag ik, kan ik huilen. Lees ik stukjes uit de Bijbel en schrijf ik in mijn kriebelige en onleesbare handschrift mijn gedachten op in een schrift dat altijd meegaat. Frustratie, maar ook veel pareltjes die ik juist nu zo ontdek. Soms schrijf ik ook niets, eigenwijs en tegendraads. Gewoon zitten en genieten. Dromend, eindeloos turend en mijmerend en vaak sluit ik mijn ogen. Dommel ik weg, maar slapen doe ik niet.

Ik vind het even slikken dat het water koud geworden is. Dat het écht herfst gaat worden en dat er minder rustmomenten zullen zijn hier. Hier in de rust geniet ik zo van de schepping. Meer dan ooit ben ik bewust geweest van de seizoenen. Het komt en gaat en komt weer terug. In de schepping is God. Dat ervaar ik in de rust en in de stilte, op mijn plekje op de steiger. Soms vraag ik ook eerlijk: ‘God, waar ben je dan?’ maar Hij is er wel. Ik zie het in de schepping, zo dichtbij is dat.

Al is het even slikken, God is niet alleen op ‘mijn’ plekje bij de steiger. Hij fietst met mij mee als ik weer naar huis ga. Zelfs als dat in een traag tempo gaat. Hij is erbij, in de wisseling van seizoenen, in alles wat we meemaken. In alle onrust, in de zorgen die er zijn, in het verdriet, maar ook in de mooie momenten waar we van mogen genieten.

Dus laat het dan maar herfst worden. Ik kleed me warmer aan en zie wel waar ik een bankje ontdek om op uit te rusten. Als het weer lente wordt, dan weet ik waar ik terecht kan. Met mijn voeten in het water en mijn gezicht in de zon!

Mooie schepping. Mooie God!

Artin

Tags

, , , , ,

Hij heeft een naam, niet deze, dus ik noem hem maar Artin. Artin was een jonge vent en via via hoorden we dat hij behoefte had aan sociaal contact. Dus belden we, haalden we hem op en was hij welkom bij ons thuis. Voor een kop koffie, een gesprek, een maaltijd.

Artin was vluchteling. Hij woonde in een AZC. Hij deelde als vrijgezel een kamer met iemand anders. Twee bedden, twee kasten, de kamer was vol. Er zat waarschijnlijk wel een raam, maar de kamer deed sterk denken aan een bezemkast. Aron ging mee om hem op te halen en het maakte indruk op hem. Vanuit alle kamers stonden vele medebewoners ons vriendelijk en nieuwsgierig aan te kijken. Het liefst nodigde je ze allemaal uit, maar dat ging natuurlijk niet. Artin ging met ons mee.

Hij sprak niet over de vlucht. Hij sprak niet over de reden. Je voelde de pijn, maar het aanraken wilde hij niet. Ik weet niet of hij Moslim was, of Christen, of wat dan ook. Zijn brede vriendelijke lach bracht vrolijkheid. De kinderen vroegen geregeld wanneer Artin weer kwam. Dan hielpen ze hem met het leren van de taal, lazen samen met hem kinderboeken. Het was gezellig als hij kwam.

Artin verhuisde. Het contact viel weg. Nu, zoveel jaren later, plopt hij op in mijn gedachten. Vorige week volgde ik het debat op tv over het aantal vluchtelingen dat Nederland wil opvangen vanuit Moria. 50 kinderen, 50 kwetsbare mensen.

100 mensen.

Ik heb zitten dubben of ik wel of geen blog hierover zou schrijven. Er is al zoveel gezegd en geschreven door anderen.

Maar het raakt me zo. De beelden van kinderen die slapen op het asfalt. De man die van al zijn bezittingen, de pan uit de vuurzee redt. Onmisbaar voor een gezin met honger. De vrouw die gehurkt op straat haar handen voor haar gezicht slaat, huilt, wanhopig is.

Als ik iets heb geleerd van de ontmoetingen met vluchtelingen, is dat hun gastvrijheid. Hoe weinig ze ook hadden, er stond altijd een maaltijd voor je klaar. Bij vertrek werd er geregeld een zak vol koekjes in mijn handen gedrukt. Zoveel liefde, zoveel warmte. Ik heb me altijd welkom gevoeld.

Van al die ontmoetingen, bleef Artin de afgelopen week hangen in mijn gedachten. Hij zou niet tot de 100 horen. Geen kind meer, geen kwetsbaar persoon. Mogelijk had hij door sommigen het stempel al gekregen van raddraaier, gelukzoeker, brandstichter. Veroordeeld, zonder dat iemand je kent.

Ik hoop en bid dat we omzien naar vluchtelingen. Kinderen, kwetsbare mensen, maar ook oog hebben voor de Artins onder de vluchtelingen. Dat het niet alleen een taak is voor de overheid, maar dat we daar ook persoonlijk ons steentje aan willen bijdragen. Gastvrij willen zijn.

Ik bid voor Artin. Waar je nu ook woont en werkt. Ik bid dat je vriendelijke lach en je opgewekte karakter tot zegen mag zijn voor de mensen om je heen. Hier in huis houd je dat plekje, hier in huis word je nog wel eens genoemd. Bij je échte naam. Dan glimlachen we, gewoon om wie je bent, als mens.

‘Ik kan niet lachen vandaag’

Tags

, , , ,

‘Het lukt me vandaag niet om te lachen’ geeft ze als antwoord op de vraag van de fysiotherapeut hoe haar dag is. Als hij vraagt waaraan dat ligt, weet ze de reden niet. Het lukt gewoon niet vandaag. ‘Ah, dan hebben wij een leuke uitdaging!’ flap ik er uit, terwijl ik met de desinfectans het toestel afneem waar ik zojuist mijn armspieren mee getraind heb. Ik heb meteen spijt van mijn spontane reactie, maar ze kijkt me allervriendelijkst aan. Ze hoopt dat het ons gaat lukken en ze stapt kordaat op de hometrainer alsof ze wil zeggen: ‘Kom maar op!’

De fysiotherapeut besluit twee flauwe moppen erin te gooien. Warempel, er verschijnt een voorzichtig glimlachje. Ondertussen probeer ik het fietszadel lager te krijgen, wat me niet lukt. Ik train twee keer in de week een uur en op deze dag doe ik dat met twee vrouwen die beiden rond de zeventig jaar zijn. Daarin voel ik me dan nog een beetje jong en kwiek, voor de rest voel ik me traag en onhandig.

Dat laatste kost me geen moeite. Niet alleen krijg ik het fietszadel niet goed ingesteld, ik draai veelvuldig aan verkeerde wieltjes of probeer de zitting van bankjes omhoog te krijgen terwijl ik de rugleuning moet hebben. De grijns van de fysiotherapeut spreekt boekdelen. Het is eigenlijk een wonder, vind ik zelf, dat ik nog niet van de loopband ben afgerold. Over de loopband gesproken: als ik de helling op 5% instel constateer ik vol verbazing dat de loopband ook écht omhoog gaat. Mijn verbazing, die goed van mijn gezicht af te lezen is, zorgt voor hilariteit.

Nu ik zo aan het prutsen ben met het zadel, kijken beide vrouwen al fietsend geamuseerd toe. ‘Het lukt me niet, hij zit écht muurvast’ zeg ik gefrustreerd. ‘Draaien en dan trekken’ en dat doe ik maar er zit geen beweging in. Fysiotherapeut schiet te hulp en uiteraard heeft deze meteen het zadel op de goede stand voor mij. ‘Je lacht me niet uit hè?’ en ik kijk de vrouw lachend aan. Zie daar, ze glimlacht steeds breder.

‘Tja, soms…’ en dan vertel ik maar eerlijk dat ik in de ochtend een strijk heb weggewerkt. ‘Tussendoor had ik even uitgerust en toen ik verder wilde gaan, lukte het strijken niet. De kreukels gingen er maar niet uit. Eerst bij een broek niet, toen niet bij een shirt. Ik begreep er niets van. Ik heb dit vijf minuten volgehouden. Wat denk je?’ De vrouwen kijken me verwachtingsvol aan. ‘De stekker zat niet in het stopcontact.’ Hoewel het echt niet zo grappig is, moet de vrouw die vandaag niet kan lachen, spontaan hardop lachen. Ze lacht zo voluit, dat het wel gemeend moet zijn. Ik geniet van de pretoogjes in haar ogen, ik geniet van de lach die we allemaal kunnen horen. We kijken haar allemaal lachend aan.

Het is een gezellig uurtje. Trainen, praten, lachen. Voldaan stap ik op de fiets terug naar huis. ‘Het lukt me niet om te lachen vandaag’ zei ze en ze lachte toch.

Ik ben blij met de ontspanning voor mezelf, want stiekem had ik niet zoveel zin in de training. Het was warm, ik was moe, ik wilde gewoon in mijn eigen cocon blijven. Ik ging toch, natuurlijk ging ik wel. Ik ben vooral blij dat zij, een vrouw die ik verder helemaal niet ken, tóch kan zeggen dat ze heeft gelachen vandaag.

Blij worden van een glimlach bij een ander. Hoe leuk is dat!

‘Dromerig, beleefd’

Tags

, , , ,

‘Volgende keer beter opletten’ zegt de medewerker en ze kijkt me doordringend, maar wel vriendelijk aan. Ze heeft zojuist mijn boodschappenkar gecontroleerd. Voordat ze begint, biecht ik haar op dat ik niet meer zeker weet of ik de frisdrank gescand heb. Dat klinkt best verdacht, maar het is de ingeving die ik ineens heb. Mijn gevoel klopt. De frisdrank is niet gescand door mij. Daardoor moet de medewerker al mijn boodschappen opnieuw inscannen. De rij achter mij is groot, mijn schaamte niet minder.

Het is echt per ongeluk. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen als excuus. Ik kan moeilijk een verhaal ophouden over focus en concentratie, die in de nasleep van corona wat moeilijk vast te houden is.

Boodschappen doen lijkt dan een tamelijk simpel klusje, maar de route tussen scanner pakken en afrekenen kent veel momenten van afleiding. Dat was altijd al zo, maar ik had er nooit hinder van. Aanbiedingen, het ontbreken van artikelen in het assortiment, een praatje met iemand die ik ken, de mobiel die afgaat. Voor ik het weet gaan mijn gedachten een andere kant op en leg ik artikelen zonder vooraf te scannen in de winkelkar. Maar ja…daar heeft die aardige en geduldige medewerker uiteraard geen boodschap aan.

Het voelt een beetje aan als vroeger op school. Ik heb er speciaal vanmiddag mijn schoolrapporten bij opgezocht. Ik weet niet anders dan dat ik vaak te horen kreeg dat ik te veel droomde. Zelfs in een rapport wordt het beschreven onder het kopje gedrag. ‘Dromerig, beleefd‘ in die volgorde. Dat vind ik wel grappig. Leraren vonden dat uiteraard niet grappig. Naast mijn snelle gebabbel en slordige handschrift was dromen iets wat niet hoorde. Dat leverde thuis het advies op om vooral strak naar de meester of juf te kijken, wat er ook gebeurde om mij heen. Ik deed mijn best, maar dromerige ogen verdwalen ook wel in verhalen als je kijkt in grijsgroene ogen.

Als ik een pagina verder kijk in het schoolrapport lees ik achter creativiteit: ‘Lydia doet haar best, resultaat vaak matig.’ Daar moet ik erg om lachen. Het typeert wel een beetje wat ik in deze nasleep ervaar. Ik doe zo mijn best, ik wil vooruit komen, van alles weer oppakken. Het resultaat is vaak matig en het kan allemaal niet in één keer.

‘Je had ook één komkommer niet gescand’ vertelt de medewerker als ze de nieuwe bon nakijkt. Ook dat nog. Ik heb een komkommer gemist. Ik weet niets anders te bedenken dan maar gedwee ‘sorry’ te zeggen. ‘Volgende keer beter opletten’ en met die ferme terechtwijzing kan ik door de poortjes richting uitgang.

Volgende keer beter opletten? Misschien kan ik maar beter aansluiten bij de kassa en de kassière het scannen laten doen. Dan is het resultaat waarschijnlijk wél goed en kan ik al dromend mijn boodschappen blijven doen.

‘Kerk, fluweel, madelief…’

Tags

, , , ,

‘Kerk, fluweel, madelief, gezicht…’ en dan kwam er nog één woord maar daar kom ik even niet op. ‘Het is een kleur’ helpt de neuroloog. ‘Rood!’ zeg ik opgelucht. Hij vraagt nog na of ik deze gokte, maar dat is zeker niet het geval.

Het is vreemd om een test (MOCA: Montreal Cognitive Test) te moeten doen. Een test voor mijn cognitie. Ik heb voor de zekerheid een doorverwijzing gekregen. Om het één en ander uit te sluiten. Mijn concentratie en het verwerken van prikkels gaat niet zoals ik wil. Hij heeft al testen gedaan met mijn armen, handen en voeten, mijn reflexen gecontroleerd. Als laatste word ik hiermee aan het werk gezet.

Ik moet niet alleen woorden onthouden, ik mag ook woorden beginnend met een ‘d’ bedenken. Je zou denken dat dit niet zo moeilijk is, maar als ik het ineens zo moet bedenken, klap ik een beetje dicht. ‘Dik, dun… dom…deeg…denken, dromen, doen….’ komt er toch uit. ‘Ah kijk, u komt los’ zegt hij lachend. Lolbroek.

Een klok tekenen, het herkennen van dieren, het gaat me goed af. De datum van vandaag weet ik op te noemen. Hij moet het zelf nog wel even checken, maar het klopt inderdaad wat ik zeg.

Er is geen reden om te denken aan schade aan het brein, dat is fijn om te horen. Zo nu en dan begin ik te twijfelen aan mezelf. Het lijkt of het allemaal wat trager gaat. Ik kan soms niet op namen komen (meer dan anders) en sta soms in de winkel naar schappen te turen, omdat ik vergeten ben wat ik wilde pakken. Fietsend en lopend door drukke straten moet ik zo gefocust zijn op wat mij passeert en wie ik voorrang moet geven. Alles wat vanzelf ging, bijna op de automatische piloot, kost nu meer energie. Dat vind ik lastig.

Neuroloog begrijpt mijn frustratie. Het heeft waarschijnlijk tijd nodig. Waarschijnlijk, want ze weten nog niet alles over corona. Ik moet het nemen zoals het nu is, accepteren dat ik aan het herstellen ben en dat het niet gaat zoals ik het altijd deed. Ik volg hem helemaal, maar wil toch nog een frustratiepunt noemen. Dat het me niet lukt om boeken te lezen. ‘Hoe dikker hoe beter, maar het lukt me niet om mijn eigen favoriete boeken te lezen’ zeg ik zuchtend tegen hem. Wederom begrip. ‘Misschien moet u genoegen nemen met twee bladzijden per dag’ zegt hij, maar dat is voor mij niet het gevoel van wegduiken in een boek.

‘Ik ben maar een serie gaan kijken’ biecht ik op. ‘Friends. Alle seizoenen heb ik inmiddels bekeken. Zo niet ik!’ en ik rol denk ik zelfs met mijn ogen. Nu kijkt hij me ineens enthousiast aan. ‘Oh, dat zijn tien seizoenen, ik heb ze allemaal thuis!’ zegt hij me iets te blij.

Neuroloog blijkt grote fan van deze serie te zijn. Als ik door de lange witte gang terug loop richting uitgang, denk ik er nog over na. Heb ik weer. Ik flap er van alles uit, geef mijn eigen gevoel weer en bedenk me niet dat de ander er schijnbaar groot liefhebber van is.

Flapuit. Lichtelijk beschaamd, maar ik zie er de humor wel van in. Ik ben vooral blij dat ik mezelf hierin herken. Dit is zo wie ik wél ben. Flapuit Lydia.

‘Kerk, fluweel, madelief…’ ik som het rijtje nog maar eens op.