Je hoeft niet bang te zijn

Tags

, , , ,

‘Je hoeft niet bang te zijn’ kortgeleden werd het gezongen bij ons in de kerk. Een kinderlied. Dat lied raakte omdat er zoveel zorgelijke situaties spelen bij gemeenteleden, spannende behandelingen bij erg jonge mensen. ‘Je hoeft niet bang te zijn…’ en dat zing je in gedachten dan mee, maar wat kan je soms bang zijn.

Het lied haalt hier in huis herinneringen naar boven. Vooral bij Zahra. ‘Hé mama, dat lied zong je altijd voor mij als ik bang was, als ik slapen ging’. Het is inderdaad het lied dat ik veel met Zahra gezongen heb. Staande bij het stapelbed, haar hoofd op het kussen. Samen zingend, terwijl mijn vingers haar voorhoofd streelden. Als gebaar van nabijheid. Dat je mag voelen en weten dat we er zijn, maar vooral dat God bij je is. Ook als je gaat slapen, als jij je ogen sluit.

Het is een lied dat ik zelf vaak zong in gedachten. Om mezelf moed in te zingen als ik bang was. Bang voor de afwijzing, voor de kwetsbaarheid, voor de twijfel en de onzekerheid. Als ik bang was om te falen, als ik niet kon voldoen aan verwachtingen. Als ik bang was voor sommige mensen, als ik bang was voor God. ‘Je hoeft niet bang te zijn….’ het liedje in mijn hoofd. Eindeloos.

‘Je hoeft niet bang te zijn’ en als ik dan aan al die mensenlevens denk die zoveel in mijn gedachten zijn en waar ik voor bid, waar zorg om is…..dan denk ik vaak: ‘Hoe kan je nu niet bang zijn?’ Er is zoveel wat je ineens kan aanvliegen, voor heel even en soms ook lange tijd. Bang zijn, de angst in elke vezel van je lijf voelen, tot aan je tenen toe. Als het stormt in je leven. ‘Leg maar gerust je hand……’ en dan klinkt het zo hoopgevend dat je altijd je hand in die van God mag neerleggen. Hij is er bij.

‘Je hoeft niet bang te zijn..

Wij zongen het in gedachten mee, terwijl het lied in de kerk gezongen werd. Met eigen gedachten en herinneringen. Misschien ook wel met eigen weerstand en dwars door zorg en tranen heen. Soms zing je tegen beter weten in. Soms zwijgt alles in je.

Soms schreeuwt alles in mij. Soms roep ik naar de hemel, omdat ik wél de angst voel. Bij mezelf en zeker ook in andere mensenlevens. Er zijn zoveel dreigende situaties, er worden zomaar mensen neergeschoten, er zijn mensen op de vlucht en ze vinden geen plek om te schuilen. Er worden mensen ziek, er is misbruik, er is angst om niet rond te komen. Er is zoveel wat ons bezig kan houden. In het groot en in het klein.

‘Je hoeft niet bang te zijn…

Oh God, maar soms voel ik dat niet zo.

Ik heb je nodig. Jij de ander en soms ook mij. Om de hand te zijn op het hoofd van de ander. Als een gebaar van nabijheid. Om aan te moedigen. Om de stem te zijn, als de ander niet zingen kan.

Zeg het maar als je bang bent. Dan hoop ik dat er mensen luisteren, zwijgen, naast je gaan staan en als je wilt ook voor je zingen. ‘Je hoeft niet bang te zijn….’ als een gebed naar boven of God als een muur om ons en jouw leven wil zijn.

(Lied: je hoeft niet bang te zijn, Opwekking Kids 40)

De wind waait

Tags

,

De wind waait, ik duw mijn gezicht er tegenaan. De wind omhult me, raakt mijn gedachten aan. Het haalt herinneringen naar boven, heimwee. Wind beroert snaren, hij raakt ze voorzichtig aan. Door de wind merk ik de echo op. Zo’n galm aan geluiden, die me soms ook onzeker maakt.

De wind speelt een spelletje met mij. Hij laat me mijn ogen sluiten, zodat ik voelen kan. De windvlaag langs mijn wangen, een streling, een gebaar. Hij waait langs mijn schouder, als een arm om mij heen. Als ik durf, als ik écht durf te voelen zijn het er soms zelfs twee. Twee armen om mij heen, al is het maar voor even. De wind gaat zijn eigen weg. Als ik denk dat ik hem grijpen kan, is hij verdwenen, waait hij van mij weg.

Ik wil me koesteren in de wind, in de adem die ik voel. Ik wil lachen in de wind, hardop zingen. Ik wil mijn tranen laten dwarrelen, laten meevoeren in zijn handen. Als de wind blaast, wil ik loslaten en me laten opvangen, maar ik weet niet of ik de wind vertrouwen kan. Onvoorspelbaar als hij aanvoelt. Dan weer hier, dan weer daar en soms is het windstil.

Ik wil de wind vangen. Wind door mijn haren, wind in mijn rug, wind die mijn hoofd soms naar beneden drukt. Ik wil de wind trotseren, ik duw mijn gezicht er tegenaan.

De wind daagt me uit. Ik voel me wankel, uit balans. Ik voel me klein, zo nietig door zijn kracht. Hij raast en raast, hij laat de wereld dansen en ik sta stil. Ik luister naar zijn gefluister, ik hoor het wel. Hij wil dat ik meebeweeg, in het ritme, in de deining en dat durf ik niet zo goed. Ik wil het wel, ik wil het wél, maar iets remt me af om mee te doen met de wind. In zijn dans, in zijn spel, in zijn gevecht. Ik durf niet goed.

Als ik maar een briesje vast mag houden. Een briesje moed en vertrouwen. Als ik dat maar mag bewaren, mag voelen heel diep binnenin. Dat het me laat dansen, al zijn het kleine pasjes. Dat het me laat zingen, al is het maar heel zacht. Dat het me vertrouwen geeft, zelfs als het wankel voelt.

De wind waait. Waai ik mee?

Compliment stelen

Tags

,

‘Wat ben je toch mooi!’ ik zei het ineens in de stilte die er heerste in de huiskamer. Iris zat in het hoekje van de bank naar de tv te kijken, mijn man zat achter de laptop en ik zat in de stoel te mijmeren. Ik staarde wat naar buiten, volgde de buurtbewoners die voorbij wandelden. Ik keek naar de bomen die alsmaar groener werden en naar de rododendron van de overburen waar felle roze bloemen uitkwamen. Ik keek naar mijn dochter. Mijn mooie lieve dochter. Ik keek haar een tijdje zo aan. Spontaan zei ik: ‘Wat ben je toch mooi!’

Iris had geen aandacht meer voor de televisie. Er verscheen een glimlach op haar gezicht en ze keek me aan. Voor ze een reactie kon geven, hoorden we plotseling manlief zeggen: ‘Dank je wel.’ Daar moesten we natuurlijk om lachen. Iris sprak echter quasi verontwaardigd uit: ‘Hé pap, je steelt mijn compliment.’

‘Je steelt mijn compliment’ zo’n zin blijft hangen in mijn hoofd. Ik vond het leuk dat Iris zo voor zichzelf opkwam. Terwijl ik de schijnwerper op haar gericht had, kroop manlief ineens het toneel op. Tuurlijk was dat plagerig bedoeld, maar Iris liet zich niet zomaar wegduwen. Ze wees hem er fijntjes op dat hij haar plekje inpikte. Haar compliment, haar momentje van gezien worden. Mijn schijnwerper op haar!

Complimenten stelen. Met de eer strijken, terwijl het niet terecht is. Maar misschien stelen we ook complimenten bij de ander weg als we ze niet uitdelen. Onbewust gebeurt dat zomaar. Dat je kritiek hebt, dat er opmerkingen vallen en aanmerkingen. Dat je negatieve dingen zegt over iets waar anderen hun best op hebben gedaan. Dat je de zwarte randen benadrukt en niet ziet dat iemand er op zijn of haar manier energie ingestoken heeft. Soms is het zo makkelijk om commentaar te leveren en vergeten we een schouderklopje te geven. Soms geven we géén complimenten, omdat het zo ‘gewoon’ wordt gevonden dat de ander dit doet, dat de ander zo is.

Van complimenten groei je. Volgens mij vindt ieder mens het fijn om gewaardeerd te worden, om een compliment te krijgen. Gewoon zo nu en dan. Ook al is het ook wel eens lastig om een compliment aan te nemen, te ontvangen. Iris wilde mijn compliment met beide handen aannemen. Ze straalde, ze glimlachte van oor tot oor. Ze wilde al ‘dank je wel zeggen’ totdat…

Deze week stond ik bij het rek met plantenbollen en bloemenzaden. Ik zag een doosje hangen met bolletjes voor Irissen. Die kocht ik. Ik stopte ze in de grond. ‘Kijk Iris!’ en ze keek op het doosje. Wederom een glimlach. Bloemen in de tuin, haar naamdragers. Mooie Iris, mooie Irissen. Niemand hier in huis kan dát compliment stelen!

Vuisten

Tags

, ,

Hoe maak jij een vuist?

Ik stelde deze vraag aan de kinderen. De ene maakte meteen, tot mijn grote verrassing, een hele stevige vuist. Ze sprong in de vechtstand en sloeg hardhandig in de lucht. De ander keek me vragend aan en toonde vervolgens nonchalant een vuist. Drie kinderen maakten een vuist met de duim stevig om de vingers heen, één van de kinderen maakte een vuist net als ik. De duim lag veilig verborgen onder de vingers.

Veilig is dat echter niet. Iemand wees me daar op. Als je zo je vuisten houdt en je wilt van je afslaan, dan doe je jezelf pijn. In het gesprek werden de vuisten van de ander aan mij getoond. De duim gebogen over de vingers. Ik had daar zelf nooit over nagedacht. Ik moest het voor me zien, om uiteindelijk zelf die vuisten te kunnen maken. Onwennig was dat. Gewoontegetrouw lagen mijn duimen altijd weggedoken, omklemd door mijn vingers.

Gisteren had ik de laatste therapie bij het revalidatiecentrum. De afgelopen weken zijn we bezig geweest met grenzen stellen, ruimte gunnen en geven aan jezelf. Het voelen van je lichaam, het opmerken van signalen en dus bijtijds rust nemen. Wat voel je? Hoe sta je erbij? Eén van de dingen waar ik me steeds weer van bewust werd, was dat ik in spannende situaties mijn handen gebald heb tot vuisten. Is het gewoonte, of zit er ook iets in van me groot willen houden? Zit er verdriet in, teleurstelling en zou het zelfs zo kunnen zijn dat er boosheid in schuilt?

We spraken over mijn vuisten. De therapeut en ik. Toen mocht ik bokshandschoenen aantrekken. Ik mocht slaan. Dat deed ik. Het voelde ongemakkelijk. Hoewel bokshandschoenen je uitnodigen om flink los te gaan, hield ik me in. Ik hield mijn adem in, ik voelde aan alles dat ik het spannend vond. Totdat ze vroeg om niet na te denken. Ik mocht tegen haar (beschermde) handen aanslaan en warempel het lukte me om haar weg te duwen. Het bleef vooral geremd. Bang om haar pijn te doen maar ook dat hardnekkige gevoel in mijn hoofd dat het niet hoort. Dat het niet goed is wat ik doe.

Hoe maak jij een vuist?

Als je het me nu zou vragen, dan weet ik dat ik mijn duim stevig op mijn vingers moet leggen. Dan kan ik me verweren, dan doe ik mezelf minder pijn. Het liefst loop ik niet met vuisten rond. Het liefst wil ik gewoon mijn handen kunnen ontspannen. Los kunnen laten wat ik daar zo zorgvuldig in bewaar en waar ik uiteindelijk alleen mezelf mee kwets. Was dat ook niet één van de dingen waar ik de afgelopen periode zo bij stilgezet ben? Zorgen voor mezelf. Tijd nemen, rust, lief zijn voor mezelf. In het verdriet, in mijn moeheid, in het wennen aan een ander ritme, in mijn teleurstelling, in mijn boosheid. Ruimte geven voor de gevoelens die er zijn, niet weglachen, niet wegwuiven. Niet omgeven met alles waar ik dankbaar voor ben, maar dat gevoel ook eerlijk onder ogen zien.

De revalidatie is gestopt. Ik heb goede voornemens om dat wat ik als handvatten meegekregen heb tijdens de revalidatie ook te gebruiken in het hier en nu. Ik ben mezelf tegengekomen, ik moest soms goed naar binnen kijken. Op de valreep heb ik zelfs even gebokst! Misschien is het goed om die handschoen vaker op te pakken. Om iets te doen waar ik niet vertrouwd mee ben.

Net als die vuist. Ik had geen idee hoe ik me écht moest verweren. Ik had een ander nodig om me dat te laten zien. Mijn duimen op mijn vingers. Een nieuwe werkelijkheid.

Hoe maak jij een vuist?

Een jaar geleden

Tags

,

Vandaag is het een jaar geleden dat ik corona kreeg. Stilgezet. Niet een paar dagen of weken, nee we zijn inmiddels een jaar verder. Ik ben aan het opbouwen met werken. In de nasleep van corona blijf ik echter klachten houden. Dat maakt dat ik niet meer snel als een vlinder van hot naar her kan fladderen. Dat ik maar alles kan oppakken en doen. Nee, ik lijk nu meer op een rupsje die met een zekere regelmaat en ritme vooruit komt.

Vandaag is het een jaar geleden. In mijn gedachten sta ik daar bij stil. Ik kijk er niet graag op terug. Althans niet op de angst en het verdriet dat er ineens was. Voor de zorg die er was voor mij. Dat voelde ongemakkelijk. Liever zorg ik. Liever was ik aan het zorgen voor mijn gezin, voor de bewoners, voor de collega’s. Alles werd uit handen genomen en daar zat ik dan thuis. Ja tuurlijk ben je waardevol als mens, maar dat vond ik naar mezelf toe niet altijd zo. Alles draaide door. Mijn werk, de fractie….zonder mij. Dat vloog me soms zo aan. Hoe waardevol was ik nog?

Ik wilde als een vlinder bezig zijn. Ik wilde fladderen, van bloem naar bloem, van activiteit naar activiteit. Van gesprek naar gesprek, van fietsen hier naar fietsen daar en desnoods nog een keer. Ik moet minder fladderen en meer de tijd nemen om vooruit te komen. Langzaam, gestructureerd en vaker even in mijn cocon kruipen. Voor rust en eigen ruimte, mijn eigen stilte en mijn eigen tijd. Mijn ‘bubbel’ zoals we het hier thuis noemen. ‘Mag ik je wat vragen, of zit je in je eigen bubbel?’ wordt er dan gevraagd. Inmiddels zit er een luikje in mijn bubbel, die ik dan toch even open. ‘Kom maar op met je vraag!’

Vandaag is het een jaar geleden, het is een gedachte in mijn hoofd. Los van alle momenten van verdriet en verlies daarin, is het ook vooruit kijken. Werk oppakken, merken dat het energie kost, maar ook energie geeft. Het is fijn om daar weer te zijn, te mogen meedenken, weer wat oppakken. Het is fijn om collega’s weer te zien en te spreken, te voelen dat ze je gemist hebben. Dat is wederzijds.

Tijdens de revalidatie heb ik veel mogen leren, vooral ook over mezelf. Dat kwam soms erg dichtbij. Termen als ‘lat te hoog leggen’, ‘voor jezelf zorgen en opkomen’, ‘grenzen aangeven’ ‘ruimte voor jezelf pakken’ kwamen veelvuldig voorbij. De conditie werd getraind, maar ik heb vooral van binnenuit geleerd om meer bewuster om te gaan met mezelf. Om te voelen waar de grenzen zijn, om te voelen dat ik heus wel een mooie vlinder ben. Misschien niet meer zo fladderend, van bloem naar bloem. Beetje vleugellam misschien, maar in de kern ben ik het wel. Ook als ik me een rupsje voel.

(Foto: Marin Scheringa)

Vandaag is het tweede paasdag. Buiten sneeuwt het en het volgende moment schijnt de zon weer. Mooie afspiegeling van het afgelopen jaar. Want dwars door alles heen, heeft het me ook veel geleerd en laten zien. Ben ik dankbaar dat ik er ben en er mag zijn. Ben ik blij met momenten van waarde, van zonnestralen op het glas. Van ommetjes en volop genieten van de schepping. Soms liep iemand mee. Mooie gesprekken in de buitenlucht. Momenten van ervaren dat mensen meeleven, aandacht hebben voor je. Dat mensen voor je bidden, je raken met mooie kaartjes, berichten op de app. Ik ben mezelf tegengekomen. Stilgezet en doorgelopen. Stap voor stap ontdekkend wat lukt en wat past bij het ritme van nu. Als een rupsje…

Zo, vandaag, schiet het door mijn hoofd. Een gedachte. Een blog, dat ook. Voor mezelf, een moment om even te mijmeren. Terugkijkend, maar vooral vooruitkijkend fladderen mijn gedachten door mijn hoofd.

Een vlinder blijf ik wel.

Lopen met je ogen dicht.

Tags

, , ,

Met mijn ogen dicht. Lopen met mijn ogen dicht. Niet over een weg die bekend is, niet langs wanden waar ik houvast heb. Lopen over een smalle bank, die in de ruimte staat. Zonder houvast en met mijn ogen dicht.

Ik durf het niet.

Met open ogen durf ik wel. Heen en weer, terwijl zij toekijkt. Dat is ongemakkelijk. ‘Wat denkt ze? Wat ziet ze?’ Ik heb een gaatje in de hak van mijn laars. In de stilte die er is, hoor ik steentjes rammelen, die de weg van de binnenkant van mijn hak hebben gevonden. Ik heb nog niet het geduld gehad om die steentjes eruit te prutsen. Dus wordt de stilte opgevuld met het ritmische dansen van de steentjes in mijn hak. Dat leidt mijn aandacht daarheen, geeft een glimlach en het gevoel dat ik moet uitleggen wat er onder mijn zolen gaande is. Dat doe ik dan ook maar.

Ik durf misschien wel niet. Maar zij moedigt aan. Het gaat niet om de hak, om de geluiden van de kiezelsteentjes. Het gaat om wat ik voel. Dus loop ik dapper heen en terug. Ik maak niet sierlijk een mooie draai aan het uiteinde van de bank, besef ik me. Ik plof met een lompe sprong op de vloer om vervolgens daadkrachtig de bank op te stappen. Ik loop heen en weer.

‘Wat voel je?’ ‘Ik voel niets’ en terwijl ik dat zeg, vraag ik me af of ik daar de focus wel op heb gelegd. Ik ben bezig om goed te lopen, om mijn evenwicht te houden en ik blijf het getik van de kiezeltjes horen. ‘Volgende keer doe ik mijn sportschoenen aan’ bedenk ik me ‘of ik moet toch de moeite nemen om uit dat kleine gaatje in mijn hak de kiezels weg te laten glijden’. Mijn gedachten zijn snel, maar niet naar waar ik hoor te zijn. Ik moet namelijk voelen.

Naast de bank lopen, gaat een stuk makkelijker. Ik hoef niet op mijn evenwicht te letten. Ik blijf me bekeken voelen, maar ik laat het maar los. Dan voel ik tóch. Ik voel verschil. Minder gespannen. Dan weer op de bank. Ik laat de steentjes voor wat ze zijn, ze versmelten met de geluiden die ik hoor op de gang. Geluiden, die me willen afleiden, maar ik probeer de focus te houden op ‘voelen’. Dan merk ik heus wel dat ik de spieren in mijn benen aanspan, dat mijn ademhaling hoger is, dat ik de spanning in mijn schouder voel.

Ik voel.

‘Stap nu maar op de bank en loop met je ogen dicht.’

Dat voel ik ook. Diep van binnen. Ik voel de angst, ik wil niet lopen met mijn ogen dicht over een bank die zo smal is. Ik kijk haar aan. Ze kijkt terug, onbewogen. Ik kijk naar de bank, ik kijk wederom naar haar. Ze zegt niets. Ze zegt niet dat ik haar hand mag vasthouden, dat ze me opvangt als ik val. Ze stelt me niet gerust door te zeggen dat me niet zoveel kan gebeuren, de bank is immers niet zo hoog. Ik adem in, ik adem uit. Ik kijk haar nog een keer aan, maar ze zwijgt en kijkt alleen maar terug. In de stilte die er is moedigt niets me aan. Dus praat ik mezelf moed in. ‘Oké’ zeg ik hardop en ik doe een poging om dit heel flink te laten klinken, mijn vuisten gebald. Ik sluit mijn ogen, ik adem diep in en als ik de stap op de bank wil zetten, doorbreekt ze het zwijgen. Ik mag stoppen.

Adem uit.

Ik hoef niet te lopen met mijn ogen dicht. Ze spiegelt mijn houding, mijn lichaamstaal. In alles laat ik blijken dat ik niet durf. Ze zag dat ik in haar ogen zocht naar houvast en de bevestiging bij haar dat ze me niet zou laten vallen. Ze zag de angst en de handen die langzaam vuisten werden. De stap die ik zette op de bank, dat ik het toch maar ‘braaf’ deed. Waarom? Waarom ga je lopen op een bank met je ogen dicht, terwijl alles in je zegt: ‘Ik wil dit niet!’

Ik herken zo goed mijn spiegelbeeld.

Ik ben opgelucht dat ik niet hoef. Niet hoef te doen, niet hoef te voldoen. Het is goed zoals het is. Ik hoop dat ik het meer en meer mag gaan voelen in het ritme van mijn ademhaling, in de schouders, in de handen die zich kunnen ontspannen. Dat ik luister naar wat mijn hart al kloppend aan mij duidelijk maakt.

Dat ik het hardop uit kan spreken, desnoods met mijn ogen dicht.

‘Ik ben er wel’

Tags

, ,

‘Ik ben er wel’ als een stem dichtbij, maar in nabijheid voelt het soms veraf. In het weten een zekerheid, in mijn hart wankelt het wel eens. Wiebelige steiger aan de waterkant. Waar ik de woorden laat spreken en de gedachten laat wegdrijven op het water. Koppie onder laat gaan, zoals de meerkoet voor mij doet. Hij komt weer boven en mijn gedachten zinken. Verdwijnen naar de bodem en wie vangt ze op?

Ik zie je wel. Ik zie je in de bomen aan de overkant. Ze lijken te zwaaien en ik onderdruk de neiging om terug te zwaaien. Ik groet ze in gedachten en ik bewonder de horizon. Voor zover ik er naar kan kijken, want de felle zon schijnt in mijn gezicht. Ik sluit mijn ogen. Ik voel me moe, ik zou wel kunnen slapen, zo hier op deze steiger. Met gesloten ogen zie ik je niet.

‘Ik ben er wel’ en je roept me wakker in de ganzen die voorbij vliegen. Ik staar ze na in hun vlucht. Voorbij, ze vliegen voorbij. Ik zou ze mijn dromen willen meegeven, zodat ze sneller de hemel aanraken. Ze blijven hier, onaangeroerd. Ik weet niet zo goed wat ik er mee moet. Dat wil ik allemaal wel vragen, ik heb eindeloos veel vragen. Herhaling van vragen, van bevestiging zoeken en dan mezelf afvragen of je niet moe van me wordt.

‘Ik ben er wel’ het is de stem in mijn gedachten. De stem die me laat kijken naar de wolken, naar de bloemen in de berm. De regenworm, ja ook dat. Ik geniet er van. Als ik je ergens in zie, is het in alles wat er om me heen is. Ik zie het in de ogen, in de handen, in de schouders om me heen. Ik zie het in de handgeschreven krabbels en de berichten in de app. Ik zie je, ja ik zie je wel. In de wereld voor me, in dit schilderij, zie ik de penseelstreken en ik weet het zeker: dat ben jij.

Voor mij. Onder mij. Boven mij. Naast mij?

Wiebelige steiger. Met elke voetstap van wandelaars, wiebelt de steiger heen en weer. Ik trek mijn benen naar me toe, mijn kin op mijn knieën. Hoopje mens in de wereld van hier. Hoopje mens met haar lach en haar tranen. Met de stralen en de stromen, met de schouders eronder en de knieën gebogen.

Kom je naast me zitten? Mijn hoofd op je schouder, want ik ben moe. Moe van alles, moe van alle vragen, van alle gebeden. Moe van al dat turen, van zoeken in de zon.

‘Ik ben er wel’ stem in mijn gedachten. Ik sta op, loop de steiger af. Weg van het water. Ik ga naar huis. Ga je mee?

Olifantenpaadjes

Tags

, , , ,

Ik vind olifantenpaadjes leuk om naar te kijken. Van die paadjes waarmee de fietser of wandelaar de weg afsnijdt. Platgetreden paadjes, dwars over het grasveld. Het is natuurlijk niet zoals het hoort, maar ik kijk er toch altijd naar. Wie heeft de eerste stap gezet, wie volgde? Wanneer ging iedereen er maar gemakshalve overheen?

Een zanderige streep over het veld en zoveel sneller is het niet.

Het worden olifantenpaadjes genoemd, omdat olifanten altijd de kortste weg kiezen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me ook graag gedraag als een olifant. Als het snel kan, even tussendoor, is het wel zo fijn om dat maar te doen. Ik kies graag de kortste weg, de snelste en misschien ook wel de makkelijkste weg. Ik ben ongeduldig, ik vind het fijn om de bestemming te zien, de punt aan de horizon. Als ik die zie, maak ik graag gebruik van olifantenpaadjes. Om nog maar eerder bij mijn doel te zijn.

Vandaag is het een jaar geleden dat corona ook Nederland bereikte. Een jaar geleden! Ik vind het confronterend om een jaar terug te gaan in mijn gedachten. Op dat moment was ik actief. Ik had mijn gezin, mijn werk, activiteiten binnen de politiek en kerk. Ik fietste wat af en deed alles ‘even’ tussendoor. Als een olifant nam ik graag de kortste weg.

Tegenwoordig lukt dat niet. Ik werd ziek door corona en het zorgde voor een lange nasleep en het valt inmiddels onder ‘long covid’. Een traject van revalidatie wordt binnenkort afgebouwd. Niet omdat ik hersteld ben, maar omdat dit nu gewoon is wat het is. Het is afwachten of het op termijn beter zal gaan of dat ik moet leren leven met de klachten. Leren leven met een stukje van wat nu bij mij hoort. In gedachten wil ik zo graag al die olifantenpaadjes aflopen, wil ik vol enthousiasme van alles oppakken, doen en zijn. Maar als een olifant de weggetjes bewandelen, dat is uiteindelijk niet sneller en beter voor mij.

Dus loop ik op mijn gemak de ommetjes en weet ik inmiddels precies op welk bankje ik rusten kan. Doe ik de strijk niet ‘even’ tussen alle bedrijven door. Nee, dat is ingepland en voor die tijd en na de tijd zit rust ingebouwd. Zo niet ik, maar het gaat me steeds beter af.

Ik vind het verdrietig. Ik mis een stukje van mezelf, in wie ik was en wat ik deed. Dat is een proces van loslaten en van ontdekken van wat wel kan en weer mogelijk is. Van bidden, van rouwen en hopen dat het op termijn toch beter zal gaan. Van huilen, van jezelf weer oprapen, op een bankje gaan zitten in de zon. Kijkend naar de bomen, de lucht, de vogels en naar olifantenpaadjes in het gras. Ik kan er niets aan doen, ik vind het leuk om naar te kijken. Om het pad te volgen met mijn ogen.

Glimlachend.

Een zanderige streep over het veld en zoveel sneller is het niet.

Bellen blazen in de sneeuw

Tags

, , ,

Bellen blazen in de sneeuw. Dat deed ik met Marin. In de stilte van de tuin, staarden we samen naar de kleine sterretjes die zich er in vormden. Totdat de bel ineenkromp. Momentje van ons samen, we hadden er plezier in. Zo volop in de kou, de bellen laten zweven, laten rusten op de sneeuw. We keken zwijgzaam naar de spiegeling van binnen, de wereld op zijn kop.

Sneeuw is mooi. Ergens diep in mij zit er een kriebeltje van verrukking als ik zie dat er sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Zo flinterdun, maar dan ineens ligt er toch een dikke laag sneeuw. Ik kan er met verwondering naar kijken. Buiten, met de zon op mijn gezicht, maak ik mijn dagelijkse ommetje. Geniet ik van de stilte die een wereld vol sneeuw geeft. Stilte, waarin alleen mijn voetstappen hoorbaar zijn. Knerpend geluid in de sneeuw. Dat vind ik mooi.

Sneeuw geeft ook een onbehaaglijk gevoel. Alsof ik in sneeuw koppie onder kan gaan, wat niet zo is. Sneeuw is verbonden met angst om te vallen, te glijden. Sneeuw is het gevoel dat ik niet vooruit kan komen, terwijl ik dat juist graag wil. Sneeuw is koud, levert mooie plaatjes op, maar bedekt de prille knoppen aan de takken. Ik kijk uit naar het voorjaar en de sneeuw bedekt dat uitzicht, dat gevoel.

Marin vindt de sneeuw geweldig. Gisteren liepen we samen een rondje. We keken naar de verschillende sporen in de sneeuw. We volgden de vogels die voorbij vlogen, we hadden alle tijd. Zoals ik de afgelopen maanden volop tijd heb gehad. Tijd om te denken, om te rusten, om te genieten van de natuur. Waar ik altijd vliegensvlug alles deed, moet het nu op het ritme van wat kan. Is er structuur in mijn dagen, afwisseling van rust en activiteit. Dan maakt het ineens niet uit of er sneeuw ligt, want ik hoef er niet snel doorheen. Ik hoef niet angstig sturend de glibberende paadjes te ontwijken. Ik hoef alleen maar op mijn gemak te lopen. Te wandelen, te genieten van wat is.

Een wintermens ben ik niet. Ik vind sneeuw mooi, maar ik kijk uit naar voorjaar, naar warmte. En toch, zo in alle rust van niets moeten, was de sneeuw minder onbehaaglijk. Was het meer dan een schilderij achter glas. Was het kijken naar de knopjes en bloemetjes aan de takken, bedekt met een laagje sneeuw. Was het wandelen en herontdekken van de schoonheid daarvan. Ook dit is mooie schepping en het kriebeltje in mij werd aangewakkerd. Kriebeltje van verrukking.

Kriebeltje van verrukking, ken je dat?

Ik voelde dat kriebeltje ook bij het bellen blazen. Zo onbeduidend, maar toch genoten we er samen van. Bleef ik kijken, staren naar de bol, waar kleine sterretjes zichtbaar werden. Ik keek vol verwondering naar die vederlichte bel, met zijn regenboogjes aan kleuren en zijn doorzichtigheid. Van de spiegeling en jezelf daarin ontdekken. Ik in de sneeuw, ik in de tuin. Als een kind zo blij.

Bellen blazend in de sneeuw, de wereld op zijn kop!

2020

Tags

, ,

Naast mijn bed staat een doos. Een doos vol kaartjes en briefjes die ik kreeg toen ik thuis was door corona. Inmiddels komen er steeds meer aandenken in aan een periode dat ik aan het herstellen ben. De mail waarin bevestigd wordt dat ik positief getest ben, de verslagen van artsen en voortgangsevaluaties van het revalidatiecentrum. De wekelijkse programma’s die ik volg in het revalidatiecentrum. Een bingokaart, als aandenken aan mijn periode in quarantaine. Vier kinderen op gepaste afstand van mijn bed. Aron die zich verveelde, had prijsjes uitgezocht in de winkel. Ik riep vanuit mijn bed de nummers op. Dat was een mooie herinnering aan een minder leuke tijd.

Er zijn ook herinneringen die er niet in passen. De angst, de tranen, de eenzaamheid die er was als ik ’s nachts alleen in mijn bed lag. Ziek voelend, benauwd. De zorg voor mijn gezin, de kinderen. Het horen huilen van je kinderen, niet kunnen knuffelen. Geen nabijheid. Op afstand moeten blijven terwijl je niets liever wil dan troosten. De onmacht naar mensen die in gedachten zo dichtbij je zijn, maar waar je niet naar toe kan. Ook niet als er zoveel verdriet in hun leven is. Losgetrokken uit mijn werk, je collega’s niet kunnen helpen. Al die dromen, zoveel dromen. Ze zitten niet in die doos, maar ze zijn er wel.

2020 heeft vooral de afdruk van corona achtergelaten. Of ik wil of niet. Het liefst duw ik dat weg. Er was zoveel meer. Het afronden van mijn opleiding, zo trots daarop! Ik heb hele lijstjes in mijn hoofd van zegeningen, voor ieder van de kinderen, voor mijn man, voor mezelf, voor ons als gezin. Lijstjes vol waar ik God voor dank. Dat is er zeker. Het liefst denk ik daaraan. Over mijn schouder achterom kijkend, zie ik mooie momenten, maar er ligt wel een sluier van corona overheen.

De nasleep van corona is niet fijn. Het is teleurstellend dat het allemaal zo lang duurt. Ik heb veel op de steiger aan de waterkant gezeten. Met mijn voeten gestampt in het water. Waar ik alsmaar hoopte dat het herstel sneller zou gaan, liep het anders. Zit ik in een revalidatietraject. Waar ik mezelf voorgenomen had om na mijn studie meer tijd in anderen te steken, wordt me door de therapeuten gezegd dat ik nu voor mezelf moet zorgen. Ineens moet ik nadenken voor ik ergens ja op zeg. Als het mezelf zoveel energie kost….

Het heeft me ook tijd gegeven. Tijd om te piekeren, te huilen. Tijd om mijn gezin volop mee te maken. Het heeft me tijd gegeven om elke verandering in de seizoenen mee te maken. Ik heb nog nooit zoveel natuur opgesnoven. Zo naar boven gestaard, naar mooie bomen, hoge bomen, bomen midden op mijn pad. Ik ben nog nooit zoveel afgestapt van mijn fiets. Niet alleen omdat ik te moe was om verder te fietsen, maar ook om te genieten. Van stilte, van vogels, van bloemen. Het gaf me tijd om meer dan ooit in gesprek te zijn met God. Met alle vragen en twijfels, met mijn verdriet. Eindeloos kunnen bidden, voor een ieder die in mijn gedachten een plekje had.

Die doos naast mijn bed, daar bewaar ik tastbare herinneringen in aan een periode in 2020 die voor mij persoonlijk veel door corona en de nasleep daarvan beheerst werd. Die periode sluit ik vandaag niet af, dat gaat door in 2021. Een nieuwe therapiekaart voor volgende week ligt al klaar. Hoe het zal gaan in 2021 weet ik niet. Ik hoop dat ik een strik om die doos kan gaan doen en dat ik hem naast mijn bed kan weghalen. Opgeruimd kan worden, achter de schotten op zolder. Als een herinnering.

Ik wil iedereen bedanken die op welke manier dan ook in het afgelopen jaar met ons heeft meegeleefd. Die er was voor ons, voor mij. Dat heeft me heel erg geraakt. Ik ben me er bewust van dat er zoveel andere moeilijke persoonlijke situaties zijn. Iedereen heeft zo zijn eigen herinneringen aan 2020 en zijn eigen zorgen die hij of zij meedraagt het nieuwe jaar in. Mijn persoonlijke verhaal verbleekt bij zoveel verdriet en gemis om mij heen. Sterkte voor iedereen in eigen omstandigheden.

Ik wens jullie toe dat je zo nu en dan van je fiets afstapt, je ogen sluit en de natuur opsnuift. Dat ga ik zéker niet loslaten en opruimen. Zo nu en dan en misschien ook heel vaak, even stil staan.

Ik wens jullie allemaal Gods zegen toe voor 2021.