Tags

, , , , ,

‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ met die vraag startte mijn fietstocht die dag. We zijn op vakantie geweest in Beekbergen, volop bos en heide. Ik heb veel gefietst, samen met Iris en Marin, maar ook veel alleen. Met de mobiel aan mijn stuur geklemd, om de gekozen route te volgen. Het blauwe bolletje op de fietsplanner laat me zien waar ik heen moet en waar ik af moet slaan. Ik heb een eindpunt ingevoerd en gekozen voor de natuurroute. Dat is niet de snelste route, integendeel. Daardoor kom ik wel op weggetjes waar ik anders aan voorbij zou gaan.

Dat was precies wat er gebeurde, terwijl ik langs de drukke weg fietste, amper twee kilometer vanaf het startpunt. Dus daar stond ik in de berm, voorovergebogen over het stuur te turen naar het scherm. De zon maakte het moeilijk om het goed te kunnen zien. Het moet er onhandig uitgezien hebben. De bewoner van één van de huizen aan de kant van de weg loopt vriendelijk lachend langs mij heen. ‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ en ik kijk op. Ik bedank hem hartelijk en vertel hem dat ik eruit ben. Ik steek over en sla een paadje in, met hobbels, zand en steentjes, dwars door het bos.

Eindeloos veel bos. Bos ruikt lekker, ik snuif de geur op. Ik kom niemand tegen. Het hele bos voor mij alleen. Zo voelt het. Ik hoor de vogels fluiten, de bladeren ritselen en de bomen bieden verkoeling tegen de felle zon die schijnt. Soms zijn er steile hellingen waar ik tegenop fiets, maar daarna volgt vanzelfsprekend de afdaling. De wind langs mijn wangen. Mijn gedachten in volle vaart achterlatend. ‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’ de zin lijkt na te galmen, echo in mijn hoofd.

Het pad buigt af in een bocht naar links. Vanuit de beschutting van het bos, waar de bomen geen horizon bieden, fiets ik ineens midden in de felle zon. Voor mij is het bos verdwenen, staat nog een enkele boom. Voor mij is zand, heide, een vlakte die tot ver naar voren rijkt. ‘Wauw’ denk ik hardop en weer sta ik stil in de berm. Helemaal alleen in de leegte. Zo voelt het landschap aan. Het ontroert me. De glooiing, de paarse hei, de gelige strootjes, het zand waar de zon zijn stralen op werpt. De enkele boom die vergaan is, maar met zijn gebogen houding me toch weet te raken.

Leegte.

Ik kan het gevoel niet goed omschrijven. Ik heb daar een tijd staan staren en me afgevraagd wat me zo ontroerde. Los van het mooie landschap, de schepping om mij heen. In de schepping zie ik de Schepper, zie ik God. God die nooit ver weg is in mijn hoofd, maar in mijn hart geregeld ongrijpbaar is. Die de God is van het leven, van de fluistering en de wind, maar ook de God waarbij ik zoveel vragen heb. ‘Waar was je God, op al die moeilijke momenten in mijn leven? Waarom heb ik me zo vaak alleen gevoeld, zo eenzaam zonder jou? Waarom vind ik het moeilijk om jou écht te vertrouwen? Waarom is mijn beeld van jou zo beschadigd. Waarom….?’

Al die vragen kwamen samen in dat ene moment, met mijn voeten in het mulle zand langs een pad dat ik anders voorbij gegaan was, ontlopen had. Midden in de leegte, met de schoonheid van de heide, met de rust, een ingehouden adem en het besef dat God dus ook hier te vinden is.

Toch?

‘Kan ik je helpen, kan je het vinden?’