Tags

, ,

‘Wie zie jij als je in de spiegel kijkt?’ Ik kreeg die vraag ooit eens gesteld. Om over na te denken. Als ik de vraag herlees in mijn krabbels en aantekeningen die ik her en der bewaar, mijmer ik daar alsnog over. Een vraag die ik herlees terwijl ik een afspraak bij de kapper heb staan. Naar de kapper ga je, zoals je ook met regelmaat naar de tandarts gaat. Althans, zo voelt dat vaak voor mij. Het is iets wat wel moet, maar wat ik niet graag doe.

Dat begint al bij de vragen die gesteld worden als je nog maar net zit. ‘Wat wil je?’ is de logische eerste vraag. ‘Knip maar gewoon, dan kan ik weg’ maar dat denk ik alleen maar, dat zeg ik uiteraard niet hardop. ‘Net als de vorige keer’ zeg ik, maar ik weet ook dat het daar niet bij blijft. ‘Wil je het in laagjes of niet? Wil je het gesneden? Wil je het tot iets onder het oor, wil je….?’ en al die vragen geven lichte paniek van binnen. Ik weet het niet. ‘In ieder geval uitdunnen’ zeg ik altijd maar, want iedere kapper begint over de dikke bos haar. Dan verschijnt er een lach bij de kapper en woelt ze met haar handen even luchtig door mijn haar: ‘Ja, het zal vooral uitdunnen zijn!’

Er komen belangstellende vragen of ik vrij heb die dag, of ik op vakantie ga, of ik…..en ook dat vind ik lastig. Ik wil in de kappersstoel verdwijnen, ik wil onzichtbaar zijn voor mezelf. Ik wil het liefst mijn ogen sluiten als ik bij de kapper ben. ‘Laat me’ dat gevoel. Dat ik binnen in mezelf mag zijn. Dat ze me knipt en dat ik me daarna weer onbevangen kan spiegelen. Al is het van veraf.

‘Wie zie jij als je in de spiegel kijkt?’

Ik heb het mezelf inmiddels makkelijker gemaakt. Ik reserveer mijn afspraak steeds bij dezelfde kapster. Ze weet wat ik wil en ze weet dat ze me geen kleurtje in het haar hoeft aan te praten. Ze weet waar ik werk, ze kent mijn gezin en we praten gewoon verder waar we gebleven waren. Dat maakt mijn bezoek aan de kapper luchtiger en ontspannen. ‘Hoe was je uitje in de dierentuin, daar ging je toch heen met Hemelvaartsdag?’ vraag ik haar. ‘Ja, dat klopt!’ ze vertelt enthousiast over het dagje uit en over haar dochter, die nog het meest genoot van de treinreis.

Zo zat ik vandaag bij de kapper. Ik vond het gezellig en ik kletste mee. Ik vroeg haar om het iets meer in laagjes te knippen dan dat ze de vorige keer had gedaan en ik keek mee. Ik zag mezelf in verschillende spiegels. Van achteren en van voren, bij een kapper zijn écht veel spiegels. Ik keek naar mezelf, met mijn natte haren langs mijn gezicht en met de verkleurde wangen door de zon. Ik keek mezelf in de ogen en probeerde te ontdekken wie ik daarin zag.

Ze houdt nog eenmaal de spiegel achter me. Ik kijk en zie hoe ze mijn haren achter op mijn hoofd geknipt heet. ‘Het zit prima, dank je wel!’ en dat meen ik ook. Ze haalt het schort weg, de plukjes haar dwarrelen op de grond. Ik sta op en kijk mezelf aan. Mij. Mij dichtbij. Zó ontzettend dichtbij.

Wie zie jij?