Tags

,

We hebben een hond in huis. Een logeerhond. Tijdelijk, omdat bij vrienden het huis van binnen geschilderd wordt. Een hond die met een kwispelende staart of snuffelende snoet langs de geschilderde wanden veegt, is niet handig. Dus verblijft de hond een aantal nachtjes hier, tot grote blijdschap van Marin die zou willen dat we hier ook een eigen hond hebben. Dat zit er niet in.

Als ik met Aletta app (vriendin) en haar vertel over de hond, schiet ze in de lach. Althans, het ‘Whahahaha’ maakt dat zichtbaar op het scherm. Al snel volgt het volgende bericht op mijn telefoon: ‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ en er mist een uitroepteken, maar ik zie hem voor me in de frons op haar gezicht en het wederom in de lach schieten. Zó voorspelbaar.

Foto: Iris Scheringa

Gek is haar verbazing niet. Vroeger was ik écht bang voor honden. De achterburen hadden een hond genaamd Basje en daar keek ik vanachter het tuinhek naar. Tot zover was het heus een lieve hond. Bij tante Riek was dat anders. Een klein keffertje en bang als ik was rende ik rondjes om de salontafel. Een blaffende hond achter me aan en tante Riek die met beide handen in de zij hoofdschuddend toekeek. Totdat ze me ietwat streng toesprak dat Loekie alleen maar achter me aan bleef rennen als ik niet gewoon zou stoppen met rennen.

Bij honden voelde ik echter alleen maar de drang om weg te rennen, weg te kruipen en te ontwijken. Desnoods stak ik een straat twee keer over als ik daarmee niet een hond hoefde te passeren. Honden snuffelen aan je, blaffen, komen dichtbij en sommige honden hebben de gezellige gewoonte om twee poten op je schouder te leggen. Van mij hoeft dat niet.

Foto: Iris Scheringa

Mijn angst is inmiddels vrijwel helemaal verdwenen. Bij Aletta thuis was een poedel waar ik aan wende en om het een graadje moeilijker te maken, bleken ze bij manlief thuis een Rottweiler te bezitten. De eerste kennismaking met mijn schoonouders maakte het daardoor nog spannender. Het is goed gekomen. Zowel de kennismaking met mijn schoonouders als met de hond, die al wat op leeftijd was en niet grommend me verslond. Integendeel. Als je Rottweilers aankan, dan moet een keffende ‘Loekie’ of ‘Basje’ ook te overwinnen zijn.

‘Ik kan me er niets bij voorstellen’ schreef Aletta. Nee, ik eigenlijk ook niet. En toch….’s morgens sta ik nog vroeger op om samen met Marin de hond uit te laten. Sta ik langs het grasveld geduldig te wachten tot de hond het ideale plekje heeft gevonden om zijn behoefte te doen en ben ik druk in de weer om dat op te rapen met een poepzakje. Ik sta hondenvoer fijn te prakken met een vork en neem de haren die overal dwarrelen en de geur van hond maar voor lief.

Foto: Iris Scheringa

De hond van onze vrienden is prima, ik vind haar best lief. Ze blaft niet naar iedereen, springt niet met twee poten op mijn schouders, weet dat ze het beste kan stoeien en aandacht kan vragen bij Marin of bij manlief. Dat is superfijn. Sterker nog, toen ik gisteravond alleen met haar in de kamer was, vond ik het zelfs wel gezellig en knus. Ik met mijn boek in de stoel, zij in diepe slaap op haar kleedje. Lief toch?

‘Straks wil je zelf nog een hond’ schrijft Aletta vervolgens. Marin wil wel. Maar nee, hoe lief ook, dat zit er niet in. We houden het gewoon bij een logeerhond en dat is toch al heel wat.