Tags

, , , , ,

Hij heeft een naam, niet deze, dus ik noem hem maar Artin. Artin was een jonge vent en via via hoorden we dat hij behoefte had aan sociaal contact. Dus belden we, haalden we hem op en was hij welkom bij ons thuis. Voor een kop koffie, een gesprek, een maaltijd.

Artin was vluchteling. Hij woonde in een AZC. Hij deelde als vrijgezel een kamer met iemand anders. Twee bedden, twee kasten, de kamer was vol. Er zat waarschijnlijk wel een raam, maar de kamer deed sterk denken aan een bezemkast. Aron ging mee om hem op te halen en het maakte indruk op hem. Vanuit alle kamers stonden vele medebewoners ons vriendelijk en nieuwsgierig aan te kijken. Het liefst nodigde je ze allemaal uit, maar dat ging natuurlijk niet. Artin ging met ons mee.

Hij sprak niet over de vlucht. Hij sprak niet over de reden. Je voelde de pijn, maar het aanraken wilde hij niet. Ik weet niet of hij Moslim was, of Christen, of wat dan ook. Zijn brede vriendelijke lach bracht vrolijkheid. De kinderen vroegen geregeld wanneer Artin weer kwam. Dan hielpen ze hem met het leren van de taal, lazen samen met hem kinderboeken. Het was gezellig als hij kwam.

Artin verhuisde. Het contact viel weg. Nu, zoveel jaren later, plopt hij op in mijn gedachten. Vorige week volgde ik het debat op tv over het aantal vluchtelingen dat Nederland wil opvangen vanuit Moria. 50 kinderen, 50 kwetsbare mensen.

100 mensen.

Ik heb zitten dubben of ik wel of geen blog hierover zou schrijven. Er is al zoveel gezegd en geschreven door anderen.

Maar het raakt me zo. De beelden van kinderen die slapen op het asfalt. De man die van al zijn bezittingen, de pan uit de vuurzee redt. Onmisbaar voor een gezin met honger. De vrouw die gehurkt op straat haar handen voor haar gezicht slaat, huilt, wanhopig is.

Als ik iets heb geleerd van de ontmoetingen met vluchtelingen, is dat hun gastvrijheid. Hoe weinig ze ook hadden, er stond altijd een maaltijd voor je klaar. Bij vertrek werd er geregeld een zak vol koekjes in mijn handen gedrukt. Zoveel liefde, zoveel warmte. Ik heb me altijd welkom gevoeld.

Van al die ontmoetingen, bleef Artin de afgelopen week hangen in mijn gedachten. Hij zou niet tot de 100 horen. Geen kind meer, geen kwetsbaar persoon. Mogelijk had hij door sommigen het stempel al gekregen van raddraaier, gelukzoeker, brandstichter. Veroordeeld, zonder dat iemand je kent.

Ik hoop en bid dat we omzien naar vluchtelingen. Kinderen, kwetsbare mensen, maar ook oog hebben voor de Artins onder de vluchtelingen. Dat het niet alleen een taak is voor de overheid, maar dat we daar ook persoonlijk ons steentje aan willen bijdragen. Gastvrij willen zijn.

Ik bid voor Artin. Waar je nu ook woont en werkt. Ik bid dat je vriendelijke lach en je opgewekte karakter tot zegen mag zijn voor de mensen om je heen. Hier in huis houd je dat plekje, hier in huis word je nog wel eens genoemd. Bij je échte naam. Dan glimlachen we, gewoon om wie je bent, als mens.