Tags

, , , ,

‘Het lukt me vandaag niet om te lachen’ geeft ze als antwoord op de vraag van de fysiotherapeut hoe haar dag is. Als hij vraagt waaraan dat ligt, weet ze de reden niet. Het lukt gewoon niet vandaag. ‘Ah, dan hebben wij een leuke uitdaging!’ flap ik er uit, terwijl ik met de desinfectans het toestel afneem waar ik zojuist mijn armspieren mee getraind heb. Ik heb meteen spijt van mijn spontane reactie, maar ze kijkt me allervriendelijkst aan. Ze hoopt dat het ons gaat lukken en ze stapt kordaat op de hometrainer alsof ze wil zeggen: ‘Kom maar op!’

De fysiotherapeut besluit twee flauwe moppen erin te gooien. Warempel, er verschijnt een voorzichtig glimlachje. Ondertussen probeer ik het fietszadel lager te krijgen, wat me niet lukt. Ik train twee keer in de week een uur en op deze dag doe ik dat met twee vrouwen die beiden rond de zeventig jaar zijn. Daarin voel ik me dan nog een beetje jong en kwiek, voor de rest voel ik me traag en onhandig.

Dat laatste kost me geen moeite. Niet alleen krijg ik het fietszadel niet goed ingesteld, ik draai veelvuldig aan verkeerde wieltjes of probeer de zitting van bankjes omhoog te krijgen terwijl ik de rugleuning moet hebben. De grijns van de fysiotherapeut spreekt boekdelen. Het is eigenlijk een wonder, vind ik zelf, dat ik nog niet van de loopband ben afgerold. Over de loopband gesproken: als ik de helling op 5% instel constateer ik vol verbazing dat de loopband ook écht omhoog gaat. Mijn verbazing, die goed van mijn gezicht af te lezen is, zorgt voor hilariteit.

Nu ik zo aan het prutsen ben met het zadel, kijken beide vrouwen al fietsend geamuseerd toe. ‘Het lukt me niet, hij zit écht muurvast’ zeg ik gefrustreerd. ‘Draaien en dan trekken’ en dat doe ik maar er zit geen beweging in. Fysiotherapeut schiet te hulp en uiteraard heeft deze meteen het zadel op de goede stand voor mij. ‘Je lacht me niet uit hè?’ en ik kijk de vrouw lachend aan. Zie daar, ze glimlacht steeds breder.

‘Tja, soms…’ en dan vertel ik maar eerlijk dat ik in de ochtend een strijk heb weggewerkt. ‘Tussendoor had ik even uitgerust en toen ik verder wilde gaan, lukte het strijken niet. De kreukels gingen er maar niet uit. Eerst bij een broek niet, toen niet bij een shirt. Ik begreep er niets van. Ik heb dit vijf minuten volgehouden. Wat denk je?’ De vrouwen kijken me verwachtingsvol aan. ‘De stekker zat niet in het stopcontact.’ Hoewel het echt niet zo grappig is, moet de vrouw die vandaag niet kan lachen, spontaan hardop lachen. Ze lacht zo voluit, dat het wel gemeend moet zijn. Ik geniet van de pretoogjes in haar ogen, ik geniet van de lach die we allemaal kunnen horen. We kijken haar allemaal lachend aan.

Het is een gezellig uurtje. Trainen, praten, lachen. Voldaan stap ik op de fiets terug naar huis. ‘Het lukt me niet om te lachen vandaag’ zei ze en ze lachte toch.

Ik ben blij met de ontspanning voor mezelf, want stiekem had ik niet zoveel zin in de training. Het was warm, ik was moe, ik wilde gewoon in mijn eigen cocon blijven. Ik ging toch, natuurlijk ging ik wel. Ik ben vooral blij dat zij, een vrouw die ik verder helemaal niet ken, tóch kan zeggen dat ze heeft gelachen vandaag.

Blij worden van een glimlach bij een ander. Hoe leuk is dat!