Tags

, , , ,

‘Kerk, fluweel, madelief, gezicht…’ en dan kwam er nog één woord maar daar kom ik even niet op. ‘Het is een kleur’ helpt de neuroloog. ‘Rood!’ zeg ik opgelucht. Hij vraagt nog na of ik deze gokte, maar dat is zeker niet het geval.

Het is vreemd om een test (MOCA: Montreal Cognitive Test) te moeten doen. Een test voor mijn cognitie. Ik heb voor de zekerheid een doorverwijzing gekregen. Om het één en ander uit te sluiten. Mijn concentratie en het verwerken van prikkels gaat niet zoals ik wil. Hij heeft al testen gedaan met mijn armen, handen en voeten, mijn reflexen gecontroleerd. Als laatste word ik hiermee aan het werk gezet.

Ik moet niet alleen woorden onthouden, ik mag ook woorden beginnend met een ‘d’ bedenken. Je zou denken dat dit niet zo moeilijk is, maar als ik het ineens zo moet bedenken, klap ik een beetje dicht. ‘Dik, dun… dom…deeg…denken, dromen, doen….’ komt er toch uit. ‘Ah kijk, u komt los’ zegt hij lachend. Lolbroek.

Een klok tekenen, het herkennen van dieren, het gaat me goed af. De datum van vandaag weet ik op te noemen. Hij moet het zelf nog wel even checken, maar het klopt inderdaad wat ik zeg.

Er is geen reden om te denken aan schade aan het brein, dat is fijn om te horen. Zo nu en dan begin ik te twijfelen aan mezelf. Het lijkt of het allemaal wat trager gaat. Ik kan soms niet op namen komen (meer dan anders) en sta soms in de winkel naar schappen te turen, omdat ik vergeten ben wat ik wilde pakken. Fietsend en lopend door drukke straten moet ik zo gefocust zijn op wat mij passeert en wie ik voorrang moet geven. Alles wat vanzelf ging, bijna op de automatische piloot, kost nu meer energie. Dat vind ik lastig.

Neuroloog begrijpt mijn frustratie. Het heeft waarschijnlijk tijd nodig. Waarschijnlijk, want ze weten nog niet alles over corona. Ik moet het nemen zoals het nu is, accepteren dat ik aan het herstellen ben en dat het niet gaat zoals ik het altijd deed. Ik volg hem helemaal, maar wil toch nog een frustratiepunt noemen. Dat het me niet lukt om boeken te lezen. ‘Hoe dikker hoe beter, maar het lukt me niet om mijn eigen favoriete boeken te lezen’ zeg ik zuchtend tegen hem. Wederom begrip. ‘Misschien moet u genoegen nemen met twee bladzijden per dag’ zegt hij, maar dat is voor mij niet het gevoel van wegduiken in een boek.

‘Ik ben maar een serie gaan kijken’ biecht ik op. ‘Friends. Alle seizoenen heb ik inmiddels bekeken. Zo niet ik!’ en ik rol denk ik zelfs met mijn ogen. Nu kijkt hij me ineens enthousiast aan. ‘Oh, dat zijn tien seizoenen, ik heb ze allemaal thuis!’ zegt hij me iets te blij.

Neuroloog blijkt grote fan van deze serie te zijn. Als ik door de lange witte gang terug loop richting uitgang, denk ik er nog over na. Heb ik weer. Ik flap er van alles uit, geef mijn eigen gevoel weer en bedenk me niet dat de ander er schijnbaar groot liefhebber van is.

Flapuit. Lichtelijk beschaamd, maar ik zie er de humor wel van in. Ik ben vooral blij dat ik mezelf hierin herken. Dit is zo wie ik wél ben. Flapuit Lydia.

‘Kerk, fluweel, madelief…’ ik som het rijtje nog maar eens op.