Tags

, , , , ,

‘Wij zijn familie van elkaar’ haar ogen stralen als ze dit tegen me zegt. Ik ontmoet haar in de gang, als mijn late dienst begint. Het is het eerste dat ze tegen me zegt. ‘Zijn wij familie?’ vraag ik haar. ‘Ja, wij zijn ver familie van elkaar’ en ze kijkt er heel gelukkig bij. Dat vind ik dan wel fijn. Ik laat het verder rusten.

De week daarna zijn Iris en Marin vrij van school. Een hele dag en ik heb een vroege dienst. Daar had ik natuurlijk weer geen rekening mee gehouden. Marin vindt het wel leuk om ’s middags bij mij op de groep te komen. Eerst wat onwennig, maar uiteindelijk helpt ze mee met de koffie of gaat ze in een hoekje zitten lezen. Deze middag helpt ze mee bij de bingo. Ze helpt een mevrouw met het zoeken van de getallen.

uniform (3)Als ze op de groep komt, vertel ik de bewoners dat dit mijn dochter is. Dat is interessant en alle hoofden draaien zich naar haar toe. ‘Oh dan is dat mijn achternichtje!’ zegt mevrouw enthousiast en ze kijkt me wederom heel gelukkig aan. Nu herinner ik me ineens weer dat ze laatst zo blij was dat we familie van elkaar bleken te zijn. Ik ben nu wel benieuwd waar ze dat ineens vandaan haalt.

Weer een week later vraagt ze hoe ik ook alweer heet. ‘Amelia, Livia, Klivia…’ somt ze op. ‘Ik heet Lydia, maar Klivia is ook prima hoor’ zeg ik lachend. ‘Mijn moeder noemt me ook wel eens zuster Klivia’ voeg ik er aan toe. De hele dag luisterde ik dus braaf naar de naam ‘Klivia’. Dat had ze goed onthouden.

Als deze week de dochter op bezoek komt, wil ik toch eens vragen waarom mevrouw denkt dat ik familie ben. Nieuwsgierig als ik ben, dat snap je. Dochter begrijpt het wel. Moeder heeft een achterkleindochter, haar kleindochter, die Livia heet. Toen zij geboren werd en ze aan haar moeder vertelde wat de naam was, had ze meteen gezegd: ‘zo heet een zuster ook!’ Ze had de namen door elkaar gehaald, Lydia en Livia. Daarmee was ik als naam verbonden aan die van haar telg en vandaar dat ik bijna een plekje kreeg in de stamboom.

stamboomGisteravond zaten we aan de koffie met de bewoners. Mevrouw zat tegenover me. ‘Lydia heet jij’ zei ze terwijl ze me in de ogen keek. ‘Livia, Lydia…’ ze was het voor zichzelf aan het herhalen. ‘We waren bijna familie he?’ zei ik tegen haar. ‘Bijna wel!’ antwoordde ze met een twinkeling in haar ogen. ‘Nou, je zult er maar zo één in je familie hebben’ zei ze plagend en ze keek de andere bewoners veelbetekenend aan. Daar moest ik erg om lachen. ‘Dan was ik vast het zwarte schaapje’ flapte ik eruit. ‘Oh nee’, zei ze ineens heel serieus ‘dat zeker niet!’

Advertenties