Tags

, , ,

Als ik ging bidden, bad ik tot Jezus. God als Vader was te groot. Als een strenge God ver weg in de hemel. Heel ver weg. En soms ook te dichtbij. Dichtbij was angst, was mijn hoofd buigen. Bang voor de boze blik, de vinger die me af zou wijzen. Ik hield het liefst mijn handen voor mijn gezicht.

Als meisje bad ik onder de dekens, dat was wel zo veilig. Mijn knuffel in mijn armen, als een zachte en troostvolle onderlaag voor mijn wang. Bidden omdat het zo hoorde. Avondgebed voor het slapen gaan. Hopend dat Hij me wilde horen, tussen alle geroezemoes door. Hopend dat Hij mij aandacht wilde geven, ook al was ik misschien niet goed genoeg.

imageVolwassen vrouw bidt niet meer met een knuffel tegen haar wang aan. Lange tijd wel met de handen voor mijn gezicht. Misschien niet letterlijk, maar in gedachten wel. God zo groot en zo ver weg, ik zo klein. Zo miezerig klein. Al die mooie liederen over God die als een vader zorgt, daar kon ik niets mee. Sterker nog, dat deed me best wel pijn.

Ik wilde wel voelen, ik wilde dat zo graag. ‘Als een kind, bij de Vader op schoot…’ is God dan zo dichtbij? Mag ik zo dichtbij Hem zijn? Zelfs ik?

Ik heb mijn handen voor mijn ogen weggehaald. Stiekem liet ik zelfs mijn ogen open. Door de wimpers heen ontdekken, dat God een echte Vader is. Dat Hij dat ook altijd was. Niet de strenge God die ik achter mijn handpalmen in gedachten had getekend. Niet de angst, de opgeheven vinger. Toen Hij mijn handen liet ontspannen en er ruimte kwam voor meer, ging ik pas echt ontdekken wie Hij als Vader is.

Ik bid met open handen. Ik bid voor mensen met een gebroken vaderbeeld van God. Dat blijft me altijd raken, hoe mooi de werkelijkheid ook is!