Tags

,

Alsof ik er niet ben, alsof ik niet besta.
De koffie is me voorgezet, beetje melk en een zoetje. Nu staat het kopje leeg en onberoerd voor me. Rode rozen op een witte achtergrond, gouden randje ietwat verbleekt.
Het is druk om me heen, ze praten en ze lachen. Soms krijg ik een aai over mijn hand, in het voorbijgaan een streling over mijn wang.

Ik staar de kamer in, ik lach maar en ik knik. Klagen doe ik niet. Ze hebben bonbons meegenomen, een bloemetje en ik zie de tekeningen in een stapeltje op de eettafel liggen. Hangt niemand ze op? Dan kan ik kijken naar de krabbels, het poppetje met de handen als een hark, de lachende zon in het hoekje van het papier.

De klokt tikt, ik hoor hem op de achtergrond.
‘Tik-tak-tik’ mompel ik en ik merk ineens dat mijn hoofd meebeweegt.

Ik wil wel meepraten, maar ik kan de gesprekken niet volgen.
Het kopje wordt weggehaald en het glaasje met bowl wordt me aangereikt. ‘Waar is de slagroom?’ bedenk ik me, maar ik vraag het maar niet. Ze zijn zo druk. Ik prik met het vorkje in een stukje ananas.

Moe ben ik.
Ik lach maar naar de kinderen, ik weet hun namen niet meer. Ik probeer oogcontact te krijgen en vang soms een glimlach op.

Ik voel zoveel liefde voor ze. Ik voel verbondenheid en toch zoveel afstand.
Ik ben er wel, ik zit tussen ze in. Toch voel ik afstand.

Praat alsjeblieft even met me.

Advertenties