Tags

, , ,

Bloesem vind ik mooi.
Roze rozetjes aan de prunus. Ze deinen in de wind en stralen iets feestelijks uit.

Vroeger in de grote tuin stond er ook een prunus. Zijn takken reikten tot ver over het grasveld. Als de paarse knoppen zichtbaar werden, tuurde ik vanuit het zolderraam naar de boom.
Vol verwachting en vol ongeduld.
Totdat op een morgen eindelijk de bloesem in volle pracht zichtbaar werd. Roze weelde in de grote tuin.

Er waren veel meer bloeiende bomen, struiken en bloemen. Te midden van het vele groen stond de goudenregen met de gele trossen koninklijk te stralen in de hoek. Aan de rand de rododendron met de paarse bloemen in de schaduw. De forsythia, de rode rozen, de margrieten en zelfs de kleine boterbloemen ontwaarde ik in het gras.
De prunus was mijn favoriet. Boom van hoop. Hij straalde zachtheid uit en gaf uitzicht op de lente.
2014 maart buiten 011
Met mooi weer, als de serredeuren opengingen, huppelde ik de tuin in. Genoot ik van de kleine mooie hoekjes in de grote tuin. Ik keek naar de wormen, de slakken, de torren. Ik volgde de mieren en liet ze lopen over mijn hand.
Klein meisje in de wondere wereld van de tuin. Klein meisje met zoveel aandacht voor dat waar anderen zomaar aan voorbij liepen.
‘Zou God ook zo voor mij zorgen?’ vroeg ik me dan vaak af. ‘Volgt Hij mij met Zijn ogen, of loopt Hij mij voorbij? Ziet God mij wel?’
Grote gedachten in mijn kinderhoofd.

Soms liet ik mijn hoofd zakken, dan streelde de wind mijn haren. Dat voelde lekker zacht. Zacht en zorgzaam, dat is de wind.

Wind kan echter ook omslaan in storm. Dat zag ik ook wel als ik voor mijn zolderraam zat. Als druppels water langs het raam kropen en ik met mijn ogen keek naar ‘mijn’ tuin. Als de wind de takken van de bomen op het gras wierp, als de bloemen heen en weer bewogen. Dat maakte mij triest.
‘Waarom is er storm? Waarom veranderen zachte zorgzame handen in een vlaag van verwoesting?’

De prunus met zijn takken, hij laat de bloesem dwarrelen.
Als een sneeuwbui verschijnt er een roze-witte laag op het gras.

’s morgens als de zon verschijnt, is er niets meer te merken van de storm. De tuin heeft zijn zachtheid teruggevonden. Ik huppel weer de tuin in, ik begroet de bloemen en de pissebedden onder de grijze steen. Ik zing met de vogels, fladder met de vlinders richting de prunus. Onder mijn voeten de bloesem, flinterdunne blaadjes die nog vochtig zijn. Ze blijven plakken aan mijn schoenen. Boven zijn de takken en de bloesem kijkt me lachend aan. Niet alles is verloren gegaan door de storm.
Mijn boom van hoop, heeft de hoop niet opgegeven. Hij staat daar, diepgeworteld in de grond. Standvastig als altijd.

Ik huppel niet meer de tuin in. De tuin van toen is er niet meer. Ik kijk niet meer onder elke steen naar de schatten aan insecten. Wormen laat ik niet meer kruipen over mijn hand. Toch als ik fiets, als ik wandel en ik ontwaar een prunus, dan geniet ik nog steeds van zijn bloesem. Dan hul ik mij denkbeeldig in zijn bloesemblaadjes en voel zelfs de zachtheid van toen. Mijn boom van hoop die me vertelt, dat er na de winter altijd weer een lente volgt.

Advertenties