Tags

Ze deelt een kamer met haar broer. Kleine zolderkamer, waar twee bedden staan, een kast en een klein tafeltje. Naast haar is de badkamer en regelmatig hoor je mensen op de gang, hoor je de douche aangaan. ‘Straks als ik wil douchen is het warme water op’, vertelt ze me. Het dak lekt, na een flinke regenbui. Er staat een pan in de vensterbank om de druppels op te vangen. Ik heb even tijd om bij te kletsen, om de sleur van dit bestaan te doorbreken. Ze mag niet werken, ze mag enkel de taal leren en zich vooral netjes gedragen. Voortdurend is er de spanning of ze mag blijven, of dat ze moet vertrekken.

Vertrekken is het grootste angstbeeld, teruggaan naar een land dat je heeft uitgespuugd. Mensen die je ongewenst vinden, enkel en alleen omdat je Christen bent. Hoe minder er zijn, hoe beter. Ze voelden zich bedreigd, ze voelden zich niet meer veilig. Als je voor je leven vreest, zoek je een ander thuis.

Nu zit ze hier. Terwijl ze alle reden heeft om te klagen, doet ze dat niet. Integendeel, ze lacht altijd. Ze is oprecht blij als je langskomt. Zittend op het bed, pruttelt het water in de waterkoker voor de oploskoffie die ze voor me maakt. Op het tafeltje komt een bord te staan met daarop allerlei lekkere koekjes. Ik moet er vooral veel van eten. Ze wil weten hoe het met me is, hoe het gaat met de kinderen en met mijn werk. Ze wil proeven van het gewone leven, daar waar hun leven zo eenzijdig is geworden. Waarin ze de rest van de familie heeft moeten achterlaten, haar thuis, haar plek, haar toekomstidealen. Zij moet verder in een land dat in alles zo anders is dan het hare. Een land waar ze zich door haar afkomst en huidskleur steeds weer moet bewijzen.

Ik ga altijd met een dubbel gevoel weg bij haar. Ik voel medelijden met hun leven, met hun bestaan. Medelijden met de onzekerheid waarin ze leven, met dat wat ze nu niet kunnen doen en toch zo graag willen. Ze wil werken, ze wil zich nuttig maken, maar het mag niet. Eerst je status, eerst de toestemming om te mogen blijven.
Aan de andere kant word ik bepaald bij hun gastvrijheid. Dat kleine kamertje herbergt alles wat ze bezitten. Van het weinige dat ze hebben, delen ze zoveel uit. Zoveel dankbaarheid, zoveel gastvrijheid. Dan besef ik meer en meer hoe goed ik het heb. Wat een voorrecht het is om in vrijheid te leven in een land waar ik Christen kan en mag zijn. Dat er geen groepen zijn, geen mensen die me weg willen hebben, die me ongewenst vinden, die vinden dat er niet méér Christenen bij moeten komen. Hoe zou dat zijn? Hoe zou dat voelen?

Inmiddels heeft ze haar status. Ik ben blij voor haar. Ze woont niet meer hier. Ik denk nog wel vaak aan dat zolderkamertje, aan de oploskoffie en de koekjes en vooral aan haar. Haar lach en haar vrolijke karakter.
Daar waar zij zoveel minder had, gaf ze zoveel meer!

Advertenties