Tags

,

Er is een muis in onze schuur. Daar word ik niet blij van. Ik hoor hem soms wegtippelen als ik de schuurdeur opendoe en dan moet ik nog naar binnen. In onze schuur staat ook de wasmachine en de droger en met een groot gezin moet er wél dagelijks gewassen worden. Dus moet ik toch die schuur in, dit tot grote hilariteit van mijn kinderen. Nou ja, ze beginnen er nu ook van te zuchten als ik toch maar vraag of zij met me meelopen. Nu ik dit opschrijf besef ik ook wel hoe absurd het is. Ik kan er niets aan doen, ik zie die muis niet, ik hoor hem alleen maar. Ergens achter de stapel met oud papier, soms wel, soms ook niet.

Voor pissebedden, wormen en zelfs spinnen ben ik niet bang. Ik had dan ook nooit gedacht dat ik bang voor muizen zou zijn. Alhoewel…vogels die je huis binnen vliegen, daar word ik ook niet blij van. Laat staan een verdwaalde vleermuis die zomers wel eens langskwam tijdens mijn nachtdiensten in het Zotel. Dan sloot ik mezelf op in de medicijnkamer en kwam er niet eerder uit dan dat de beveiliging het fladderende dier weggejaagd had.

Vorige week volgde ik het nieuws op de Krim, totdat Zahra binnenkwam. ‘Wil je dit alsjeblieft uitdoen!’ zei ze gelijk. ‘Ik word hier heel bang van’. Dus de tv werd uitgezet en zo samen op de bank, benadrukte ze nog even dat ze heel bang is voor oorlog. ‘Daarom wil ik films over Anne Frank ook niet zien’  zei ze om me te overtuigen. ‘Ik was vroeger ook heel bang voor oorlog’ vertelde ik haar. ‘Ik las alles over de Tweede Wereldoorlog, maar kon er soms niet van slapen. Ik heb een keer een film gezien over Corrie ten Boom, die samen met haar zus en vader onderduikers in huis had. Op een dag zie je in de verte de Duitsers aankomen in vrachtwagens en in mijn beleving ook een motor met zijspan. Dat beeld is me altijd bijgebleven. Dan lag ik ’s nachts in bed en stelde me voor hoe het is als opeens de Duitsers op je deur bonzen. Ik kon me niet voorstellen dat ik dan de deur open durfde te doen. Ik lag dan in bed te bedenken waar ik me zou verstoppen. In het grote herenhuis waar ik ben opgegroeid, waren heel veel verstopplekken. De grote diepe kast op mijn slaapkamer, de kelder met de ruimte die verborgen was achter een piepende deur en nog beter: de ruimte boven de uitbouw. In de witte vlakken tussen de balken, was één vlak dat je weg kon schuiven. Daarboven zat een lege ruimte. De ideale plek als de oorlog zou uitbreken’.

‘Ben jij nu niet bang dat er oorlog komt?’ vroeg Zahra. ‘Nee, eigenlijk niet. Soms is het wel spannend wat er in de wereld allemaal gebeurt en misschien als het heel dichtbij komt, dat ik dan ook wel bang ben. God zorgt dan ook wel voor ons. Ik hoop dat Hij ons dan heel moedig laat zijn. Als we elkaar maar hebben, toch?’ Ze knikte wat afwezig. ‘En’ voeg ik er nog aan toe ‘we mogen gelukkig weten dat wat er ook gebeurt, we na ons sterven verder mogen leven bij God’ .

Ik hoorde mezelf praten. Ik geloof het stellig, maar hiermee druk ik de angst van haar niet weg. Vroeger wel, als ze bang was voor het donker. Dan zongen we samen het liedje: ‘Je hoeft niet bang te zijn, al gaat de storm te keer, leg maar gewoon je hand, in die van onze Heer……’ . Het lijken makkelijke woorden, terwijl de angst zo reëel aanwezig is. Angst die niet altijd weg te wuiven is met teksten, met liedjes en zelfs niet altijd door gebed. Angst is maar een vreemd verschijnsel.

Ze keek me vragend aan. Ik verwachtte een puberale opmerking, een zucht of een frons. In plaats daarvan keek ze eerder verbaasd en hield ze mij na mijn ‘mooie’ woorden een heuse spiegel voor, toen ze zei: ‘ En jij (met de nadruk op jij) bent bang voor de muis in de schuur?’